waar ook duizendpoten en de beestjes krioelen

waar ook duizendpoten en de beestjes krioelen

achter de bosvarens onder haar beuk
graven alle vingers
bedachtzaam
en bewegen zich grabbelend
als een molrat blind
naakt en vochtig verder

onder haar nagels
ruikt het naar
halfvergane herfst
die op de bodem
van het bos wat aanmoddert

terwijl haar knieën kuilen
in de bladeren drukken
en haar spijkerbroek donkernat
verkleurt
neuriet ze zachtknorrend

haar vingersnuitjes snuffelen
meer dan polsdiep krullend
blij
door vermolmde bladeren en wat turf
op zoek naar kostbare truffels
of een kabouter
ofzo

Lees ook andere gedichten en verhalen geschreven
voor de cursus poëzie schrijven.

Ochtendverhaal – II

Een merel fluit en wedijvert wat met een houtduif wie het meest kan zingen. De houtduif druipt af. De merel is gewoon aan de compenseren voor de fluitloze regenochtend van eerder. Stomme merel.

Onder een afdankje kon ie toch ook gewoon fluiten met de regen als zijn ritmesectie? Maar nee, zon en een enkel wolkje wil hij om een geil vrouwtje te vinden. Hij is niet van een vrucht van regenwulpsen. Zo droog als zijn cloaca, zo heeft hij het het liefst. Beetje die zwarte veertjes laten glanzen in een Hollands miezerig zonnetje. Mannetjesmerel. Allitereert als zijn merellied.

Beter dan de grauwe kauw die zojuist met alleen een ‘ka!’ voorbij kwam. Die mag van mij zijn fluitkunst nog wat herkauwen. Zingen en fluiten om te kunnen neuken. Dan kun je merelsperma gerust zangzaad noemen. Nog altijd mooier – hé houtduif, niet jij nu opeens gaan koeren twerwijl de merel stilhoud! Aandacht tekort? – dan die eenden en hun Zuid-Soedanese paringsritueel. Vorige week nog. Een stuk of 4 eenden, 1 vrouwtje voorop, vlogen grote rondjes boven mijn appartement. Richting park. Onder veel kwakend misbaar. Je weet gewoon dat het geen baltsende paringsdans is zoals de twee Afrikaanse visarenden in Selous Game Reserve, in Tanzania anderhalf jaar geleden. De klauwen ineen geslagen wentelend door de lucht. Een vlucht van duikelingen, koprollen, hand-in-hand samen rondrennen tot je beiden bijna vliegt. Zij. Zij vlogen, de vleugels gekromd wijd. Onze ranger had er geen aandacht voor. Ik heb er geen foto’s van. Die visarendvlucht. Er was een luipaard gesignaleerd. Die zochten we. Dat was veel unieker in Selous. Er wordt maar een handvol keer per jaar een luipaard gezien daar. Bijzonder. Dus de baltsende vogels waren onbelangrijk. Ik heb nog wel een foto van een visarend zo bovenop een hoge dode palmboom, zo’n kale boom, die zijn staart optilt en een mooie straal schuin naar achter schiet uit zijn cloaca. Toch ook leuk.

Net zo banaal als die eenden. Dat vrouwtje vliegt niet zo hard om te kijken welk mannetje het sterkst is. Welnee. Eentje was sowieso niet het sterkst. Die vloog zeker tien meter achter de rest, proberend de scherpe luchtbochten te volgen. De andere twee mannetjes wilden maar één ding: neuken. Liefst als ze nog wat tegenstribbelt. Het vrouwtje vloog door. Zeker 5 grote rondes. Als ze zou gaan zitten, ergens op het gras, naast de sloot. Dan werd ze met veel – onderling – geweld door de twee wraakzuchtige woerden – lijkt ook veel op warlord qua woordbeeld – gepakt. Hell yeah, zelfs al zou ze neukend verzuipen (iets wat in Zuid-Soedan weer níet gebeurt, maar dat ligt aan gebrek aan water), dan nog zagen die woerden hun kans. Wat nou Darwin, wat nou voortplanten. Je reinste necrowoerden zijn het.

Dan de merel. Hoppend door de struiken. Saaie veelvoorkomende vogel. Zingt best leuk. Tenminste wat variatie. Zoveel zangvogels zitten hier nou ook weer niet te kwetteren. Klinkt wat sneu. Zijn korte lied. Begeleid door het strijkorkest van de schuurmachine verderop in de straat. Een parkiet klinkt toch gezelliger. Blijven merels het hele seizoen bij elkaar? Zingt het mannetje nog als hij een vrouwtje heeft gevonden? Of is het zoals bij de meeste Nederlandse mannen: wel dansen op de dansvloer en leuk doen als je nog op jacht bent, maar zodra een meisje is gescoord – voor een avond of voor langer – geen poot meer op de dansvloer zetten? Blijven merels elkaar eeuwig trouw, zoals zwanen? Vast niet, anders zaten er niet zoveel merels te tjilpen. Het kunnen niet alleen die ongebonden bachelors zijn die zich laten gelden. Ik denk dat ze er gewoon elk jaar weer opnieuw tegenaan gaan. Beetje chill, beetje tsjilp. Een enkel keertje neuken, weet je. En dan een seizoen iets met nesten, takjes, wat wurmen. Tot het volgende jaar. Geen hoge eisen die merel. Geen pretenties van kijk mij eens meeslepend leven. Maar ja, daar is zijn gezang dan ook niet naar. Met zijn gele snaveltje en zwarte veren. En een beetje hopsen door de struiken. Mannetjesmerel. Tja. Tjilp.

Voor de cursus poëzie schrijven, meteen na het wakker worden, precies een half uur  associatief schrijven. Aldus bovenstaand ochtendverhaal. Lees ook Ochtendverhaal – I.

Ochtendverhaal – I

Afgebladerde verf op de kozijnen van het zolderraam. Hij tuurde even naar buiten, zijn handen op het kozijn leggend als een klein kind dat over een hekje probeert te kijken naar wat voetballende grote jongens.

Mooi weer. Prachtig weer. En hij mocht weer binnen zitten. Hij sjokte luid gapend in zijn geruite boxershort naar zijn bureaustoel. Dit was toch geen doen zo. De laptop was opgestart en daar zat hij dan. Schrijver. Oké, eigenlijk reclameschrijver. De sloganman. Swiffer bakt door en door schoon. Dat soort dingen. Maar eigenlijk was hij literator. Mulièsque, nee, Mulischesque eh Mulischoir. Nou. Literair geweld als dat van Mulisch. Dat was hij. Wilde hij. Ambitieus genoeg.

Maar hij had een writers block. Al tijden. Niet zo zuinig ook.

Voor hem lag een schrijfblok vol aantekeningen en plotwendingen.

Hij bladerde er wat door. Alleen lege bladzijden. Lijntjes. Meer niet. En op de voorkant stond “Writers block”. Voor zowel de taalman als de reclameschrijver in hem tergde dat zijn kromme tenen. Maak het maar Engels, dan verkoopt het beter. Klinkt interessant. En daarmee gaan ze geregeld finaal de mist in. Hadden ze hem maar in moeten schakelen. Deden ze niet. Soms. Suffe klusjes. Neem nou de internetprovider XS4all. Zij denken dat er staat: ‘toegang voor allen’. Engelstaligen lezen het als ‘uitwassen voor allen’. Of die bandengarage. Tyre Center. Brits-Engelse Tyre met de Amerikaans-Engelse spelling van Center. Kan toch niet? Het is nog net geen Engrish.

Over uitwassen gesproken, die Limburgse Geert, hij die fier overspoeld wordt door een tsunami van waterstofperoxide in zijn haar. Die heeft het over uitwassen. Uitwassen van de islam. Klopt wel. De islam is zo ongeveer de enige religie met uitgebreide wasvoorschriften voor het gebed. Zelfs je oren moet je goed uitwassen. Dat deed hem denken aan die campagne voor die wasverzachter. Ah, de gouden Govers-tijden. Maar hij dwaalde af. Literatuur moest er komen, zijn meesterlijke debuut. De zolderbalken waren grof afgewerkt. Hier en daar wat splinterig. Ragfijne spinnensliertjes in de hoeken. Een paar koffievlekken tegen het schuine ooit witte dak. Op drie-en-een-halve meter hoogte. Goh, wat was hij boos geweest toen! Zijn vriendin mocht de troep later opruimen. Aarde van de sanseveria lag toen ook overal.

Een ware artiest is eigenzinnig, heeft zo zijn nukken, hield hij zichzelf voor. Het bewees alleen maar dat hij een groot artiest moest zijn. Daarbinnen. Diep van binnen. Het moest er alleen nog even uit komen. En die vriendin had hij ook al niet meer. Mooi. Geen afleiding.

Later zou deze zolder vast een museum worden. Of nagebouwd in een of ander museum. Geroemd om zijn fenomenale zinnen. Maar ja. Hij worstelde al weken met de perfecte openingszin. “Het was een dag als alle andere toen hij de kabouter eens goed fijnkneep.” Nee, daar kon hij niet mee aankomen. Het was nog wel een van zijn betere vondsten. Moest hij eigenlijk wel over kabouters gaan schrijven? Dat hij ze zelf zag en er vooral last van had – de slaapfeestjes waren vermaard – betekende niet dat iedereen er op zat te wachten. En face it. Hij was geen Dirkjan die zich met kabouters kan omringen. Hij klapte de laptop dicht. Eenzame schrijver op een zolderkamer. Een groene lege sanseveriapot in de hoek. Hij legde zijn handen maar weer in zijn nek. Leunde achterover. Schrijven is 99% transpiratie. Die had hij wel gehad. Hij snoof even aan zijn oksel en trok een instemmend vies gezicht.

Nu de inspiratie nog. Zijn wereld. Op papier. Beschrijvend op zo’n manier dat je het aan kunt raken, kunt proeven. Met briljante vondsten. Dat was hij. Zo was hij. Met zijn zolderwritersblock. Stomme pen.

Wacht even, bedacht hij zich opeens. Ik heb helemaal geen zolder!

Voor de cursus poëzie schrijven, meteen na het wakker worden, precies een half uur  associatief schrijven. Aldus bovenstaand ochtendverhaal.

Stil

Onderstaand gedicht Stil is de tweede helft van het huiswerk van de cursus Poëzie Schrijven voor afgelopen dinsdag. Meneer D publiceerde eerder de eerste helft van het huiswerk, het ‘verlichte’ gedicht De lichtheid van mijn genie.

Ook dit gedicht had een duidelijke opdracht en doel. Wat dat was zal Meneer D lekker niet vertellen. Lees het gedicht om het gedicht. Geen vrolijk gegrol of enige jool in dit geval. Wel weer die ene regel, de laatste toevalligerwijs, die geïnspireerd is op een gedicht van Nobelprijswinnaar Tomas Tranströmer (zie het vorige gedicht). Wel ook veel beelden en veel zelfstandige naamwoorden die naar voorwerpen verwijzen.

Meneer D is wel benieuwd wat je van het gedicht vindt, wat het met je doet (en óf het überhaupt wat doet). Laat gerust een reactie na onder de post of op Twitter.

stil

een half leeggegeten bord nog op tafel
de druppels van zijn lippen
glimmen nog na op hun fotolijst
het klapraampje geeft weer wat lucht
schoenen door elkaar op de overloop
wilde tandpastaspetters besmeuren de spiegel
ergens in de hoek ligt een tandenborstel
de slaapkamerdeur trilt nog licht na
zijn ogen heeft hij wagenwijd open
ziet niet eens de muur
het bed is koud voor een lenteavond
stilte tussen hun ruggen alweer
haar hoofdkussen koelt nu nat af
inmiddels haalt ze rustig adem
na minuten
een knip van zijn hand
de lamp lost op als een tablet in duisternis

De lichtheid van mijn genie

Zoals je bij het vorige gedicht, De Ontdichting, hebt kunnen lezen, volgt Meneer D momenteel een cursus Poëzie Schrijven. Bij Parnassos, van Ellen Deckwitz. Een cursus met genoeg huiswerk. Want van alleen luisteren leer je niets.

Dat betekent, dat naast het opzoeken, uitzoeken, lezen en analyseren van gedichten, Meneer D ook zelf de nodige gedichten zal moeten schrijven. Aangezien Meneer D weinig schroom kent met het publiceren van zijn woordenwarren, zul je die gedichten ook hier aantreffen. Een blog behoeft vulling, als ware het een kerstkalkoen.

De huiswerkopdrachten kennen uiteraard een specifiek doel en opdracht. De laatste regel van het gedicht is een variatie op de eerste strofe het gedicht Het paar van Tomas Tranströmer, de winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur 2011. Dat bepaalt de richting van het gedicht natuurlijk ten dele. Dat zal Meneer D niet verklappen. Je moet de gedichten maar an sich as is beschouwen. Des te leuker. Dan weet je niet of Meneer D iets geforceerd doet, bewust de tenen kromt, ontroerend mooi schrijft of dat het ontroeren al een gegeven was.

Bij onderstaand gedicht wil Meneer D nog wel even opmerken, dat hij een van de weinige bèta’s is die deze cursus ooit gevolgd heeft. Meneer D laat dat middels dit gedicht wel ietwat merken. Daarnaast. Heerlijk strooien met dubbele of drievoudige verwijzingen naar een stuk of vier thema’s.

De lichtheid van mijn genie

Een helder moment, het licht gaat me op
Het Lumen van die dag, van vandaag
Een chemisch gedacht’-experiment
De synapsen vuren als slijptollende vonken

O, mijn genie, mijn brille
De post-renaissance van mijn verlichte ideeën
Doet me over het complete spectrum gloeien
Als een tl-buis van de aars tot de amygdala

De kronkels ontvouwen zich met gebruis
Één met het schroefdraadschuim rond mijn lippen
Het waarachtig huis van mijn koortsige concepten
Geeft draai aan peren als ook appels

De geestelijke ganzenveer inkt dikke pillen neer
Ik proef ze en ik slik ze
Als exciterend wolfraam
Dat straalt door het gewelfde glas

De trechter convergeert eerst fragiele flarden
Denkraamt de entropische war tot vaste vorm
Sterker dan de zon, nee, Zonnekoning
Denkgolft de fotonenstroom

De spanning doet me bijna knappen
Zoveel energie is uit dit cranium ontsnapt
Terwijl de sintels en de stoppen springen
Word ik langzaamaan wat stil

De nachtkaars flakkert een hap naar lucht
Een dovende aai over de bol
Geagiteerde neuronen komen eindelijk tot rust
De lamp lost op als een tablet in duisternis

De Ontdichting

Eindelijk. Het is Meneer D eindelijk gelukt. Na diverse pogingen – Utrechts Centrum voor de Kunsten begin dit jaar, Parnassos in februari, uitstel, misverstanden en algehele malheur – is het gelukt.

Meneer D volgt een cursus Poëzie Schrijven.

Bij Parnassos in Utrecht. Sinds afgelopen dinsdag. De docente is Ellen Deckwitz. Ze is dichteres, Nederlands Kampioen Poetry Slam 2009 en voor dit jaar genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Je zou denken dat ze er wat vanaf weet. Dus kan Meneer D een en ander over dichten leren. Want aan zijn poëzie schort nog meer dan genoeg (klik op de individuele posts om het leesbaar met beoogde opmaak te zien).

Wat is er te leren? De discussie beslechten over vorm versus inhoud misschien? Meneer D betoogde al over klassiek eindrijm, wat goede poëzie beoogt en wat poëzie niet slecht maakt; zie lijmrijm versus rijmlijm. Meneer D wil verder evolueren met zijn poëtische imborst, kennis en repertoire. Van versjes en grappig rijm tot uiteindelijk Echte Poëzie. Want dat is het doel. Uiteindelijk.

Voor de eerste les heeft Meneer D onderstaand gedicht geschreven. Een gedicht dat geen gedicht is. Dat was de bedoeling. Het is uiteraard wel een gedicht – een slecht gedicht, maar wel een gedicht. Kijk maar naar de vorm en stijl. Ergo Meneer D heeft hopeloos gefaald. Wat Meneer D edoch echter wel betracht heeft is het met jambevoeten treden van zovele vermeende dichtregels, als die er al zijn. Geen consistente structuur, al het rijm is krom, het metrum verkracht, overdreven alliteratie, geen boodschap of emotie evokeren. En nog meer. N.B in het gedicht is de verwijzing ‘reinste kloten’ is natuurlijk wél diep dichterlijk. Verwijst naar de eerder in het gedicht genoemde limonade en klinkt bijna als de smaak reine claude. Meneer D wilde het maar even gezegd hebben.

Awel.
Als het slecht is: dat was helemaal de bedoeling.
Als het nog ergens op lijkt: sorry. Echt. Sorry.

De Ontdichting

Hij was er helemaal klaar mee
Als was hij een gammele gameet
Zat hij daar te jambe-tampen tot overmaat van ramp met lange zinnen, bijzinnen, buiten zinnen
en een metrum van lik me Vestdijk, nog geen hermetisch embryo waardig, hé.
Dus zichzelf maar wat beschimpen.

Met zwart zeikende zwakke zeurkus
Pogen het te klaren als een ochtendmerel
Op zoek naar zijn eerste versregel

Voor de cursus.

Hallo zeg, een gedicht dat geen gedicht is.
Lekker alles fout doen. Of on-lees-baar-aan-een-schrij-ven-als-dat-zou-hel-pen.
Op zoek naar de juiste woordkneus de woorden overstelpen
met afzicht is
dat waarvoor hij gezwicht is? Drama dat is te licht?
De strofe afgekloven
tot zijn tenen kromden en vuisten balden
Om zijn balpen.
Eigenlijk toetsenbord, maar dat rijmt gans niet. O shit – !

Eindeloos gewauwel, maar wil de lezer misschien geraakt worden?
Het gevoel ergo prikkelen met clichés over spirituele
verstilling, vijf keer een regel beginnen met ‘Ooit’ en
dan denken dat het diep is?

De grabbeltoon die hij aanslaat
op het toetsenbord – lijkt net een komische façade.
Een farce met limonade.
Het lijkt zoet, maar het is je reinste kloten,
omdat hij, de ondichter, onverdroten blijft verscholen.

Zelf beweegt hij niet. Onbewogen van buiten en van binnen;
alleen zijn vingers voelen de warmte
van de zoemende harde schijf.
Die schreeuwt nog het hardst.