Aderspatten

Taal verandert. Dat is een van de charmes van taal. Van de mieterse jaren vijftig tot de kicken jaren negentig. Sommige vakgebieden veranderen zo hard, dat de gebruikte vocabulaire onherkenbaar wordt, omdat begrippen, instrumenten en methodieken totaal in onbruik zijn geraakt. Wie heeft er nog met ponskaarten of magneettapes gewerkt? Of wie kan er op papier nog worteltrekken? Of kent nog steno? Verwant: Meneer D kan nog steeds Graffiti schrijven (schrift voor op de Palm PDA’s, tien jaar geleden). Technologie verandert het hardst. Vijftien jaar geleden zei Baud je nog wat, nu is 3G bijna een archaïsche term.

Om naar taalverandering te kijken, en niet naar taalvernieuwing door vernieuwing in technologie en kennis, moet je dus kijken naar iets wat niet significant verandert. Het menselijk lichaam. We breken nog steeds botten, we hebben nog steeds aneurisma’s, we groeien nog, hebben nog steeds darmen en krijgen nog steeds kinderen.

Vandaag las Meneer D ‘Oude Lectuur’, zoals elke zaterdag. Meneer D heeft net het ‘Kort overzicht van de Nederlandsche letterkunde’ door C. de Dood uit 1932 uit. Dus was Meneer D wel toe aan ‘Voorlezingen over ziekenverpleging’ door Dr. J. Eduard Stumpff, oud-geneesheer-directeur van het binnen-gasthuis te Amsterdam. De 15e herziene druk uit 1947. De eerste druk dateert van 1907. Het binnen-gasthuis te Amsterdam was toen het meest toonaangevende ziekenhuis in Nederland.

Meneer D kwam een herkenbare afbeelding tegen. Onmiskenbaar spataders. Het onderschrift luidde echter anders. Geen spataders. Neen, figuur 61 vermeldt aderspatten.

Aderspatten. Het lichaam verandert niet. Behandelingsmethoden zijn in 65, dan wel 105, jaar drastisch veranderd. Ingewikkelde medische termen, al dan niet van Latijn afgeleid, willen nog wel eens wijzigen; vergelijk Bilharzia maar eens met Schistosomiasis. Klaarblijkelijk veranderen gewoon Nederlandse benamingen over tijd ook. Wanneer zou dit gewijzigd zijn? Aderspatten wordt nog steeds in medisch land gebruikt, maar is toch wel flink verdrongen, zeker in de volksmond, door spataders.

Vanmiddag op Twitter verzon men omklapwoorden. Woorden als koolzuur-zuurkool. Getagt met #taghash of #omklapwoorden. Het toeval wil, dat aderspat ook een omklapwoord is samen met spatader! Voor een compleet overzicht van het omklapwoordenspel van vanmiddag, kun je even op Storify kijken. Meneer D laat zijn aderen voorlopig nog maar niet spatten, zeker niet van het scherm af.

De Nederlandse taal de afgelopen 100 jaar, om Herman Finkers aan te halen, is geen spatader veranderd?

Advertenties

Harr!

Piraten stammen rechtstreeks van de plunderde Vikingen af; het “Harr, harr!” komt van het Deense ‘har’, dat ‘hebben’ betekent.

Dus eigenlijk roepen de buitbeluste piraten steeds heel toepasselijk “Hebben, hebben!”

Gepubliceerd op Twitter.
Lees ook Somalische piraten nu ook online! en Prietpiraat .

Meneer D Ontleed – poëzie: Huis in Kells

Meneer D ontleed: het gedicht Huis in Kells van René van Loenen.

Stukjes van Meneer D worden ontleed in Meneer D Ontleed. Niet alles wat Meneer D schrijft zal voor iedereen direct in al haar facetten begrijpelijk zijn. Dubbele bodems, (wetenschappelijke) verwijzingen, totaal onnavolgbare gedachtegangen van Meneer D, bizarre neologismen, obscure woorden. Meneer D kan niet verwachten dat de lezer, jij, de tijd en moeite neemt om alles te analyseren en research te doen. Of dezelfde gekke gedachtekronkels heeft. Dus ontleedt Meneer D het voor je.

Normaliter ontleedt Meneer D in deze rubriek zijn eigen (cryptische) schrijfsels. Dit keer een uitzondering. Een gedicht van René van Loenen. Omdat er zulk mooi taaltoeval in het gedicht staat.

Huis in Kells

De schoorsteen staat in bloei. Vensters ogen
als gaten. Dronken gaat de wind in en uit.

Een braamstruik slingert zich het trapgat
door en in de keuken waar de schapen poepen
groeit vluchtig een berk.

er moet nog iemand zijn. Niet hier maar ergens
sluimeren herinneringen: er is een tijd geweest

dat rook de schoorsteen met verhalen vulde,
de nacht niet verder dan de vensters kwam.

René van Loenen, uit: Mooi Voetenwerkuitgeverij Mozaïek, 2005

Een prachtig beeld wordt in dit gedicht geschetst. Je kunt het bijna proeven, je loopt door het huis. Edoch, Meneer D wil niet het hele gedicht gaan analyseren, alleen de eerste twee regels.

Kells is een Ierse plaats. Bekend van The Book of Kells dat 4 evangelies uit het Nieuwe Testament bevat: “Het Book of Kells werd rond het jaar 800 geschreven door Keltische monniken en geldt als een meesterwerk van de westerse kalligrafie in insulaire stijl.” Een plaats met grote historie dus. En daar staat dit huis. Vervallen huis.

En wat schrijft Van Loenen in zijn eerste twee zinnen?

De schoorsteen staat in bloei. Vensters ogen
als gaten. Dronken gaat de wind in en uit.

Een mooi beeld. Meneer D zou ‘het’ met al zijn taalgegoochel en vijftien lagen bewust ingestopt hebben. Meneer Van Loenen misschien ook, misschien is het slechts toeval. Prachtig toeval.

In Kells in Ierland spreekt men (tegenwoordig) Engels. Het Engelse woord voor raam is window.

Etymologisch is window letterlijk wind-oog. Het woord window komt van het Oud-Noords vindauga, van vindr (wind) + auga (oog). Oud-Noords wordt ook wel Viking-Noords genoemd en werd gesproken door de Vikingen die zo rond 875-950 Engeland binnenvielen. Het woord window verving het Oud-Engelse eagþyrl, letterlijk oog-gat en eagduru, letterlijk oog-deur. Het overdrachtelijke van oog is op zich al poëtisch.

Een raam was oorspronkelijk gewoon een gat in de muur waar de wind in en uit ging. Vandaar oorspronkelijk ook wind-gat. Venster is in de meeste Germaanse talen gebruikt voor een raam met glas (zie de etymologie). Behalve in het Engels.

In het gedicht staan windvensters en ogen optisch vlak bij elkaar. De ogen als gaten waar de wind in en uit gaat geeft nog meer (onbedoelde) historische lading aan een toch al historische setting. Zoals vroeger ramen waren, zelfs voordat er glas was. En nu weer zo is. Het Engelse window, etymologisch verwoven in het gedicht.

Taaltoeval? Meneer D vindt het prachtig; poëtisch mooi hoe de woorden, betekenis, historie en etymologie hier samenvallen.

Meneer D Ontleed: het gedicht Fnuikend

Meneer D ontleed: het gedicht Fnuikend.

Stukjes van Meneer D worden ontleed in Meneer D Ontleed. Niet alles wat Meneer D schrijft zal voor iedereen direct in al haar facetten begrijpelijk zijn. Dubbele bodems, (wetenschappelijke) verwijzingen, totaal onnavolgbare gedachtegangen van Meneer D, bizarre neologismen, obscure woorden. Meneer D kan niet verwachten dat de lezer, jij, de tijd en moeite neemt om alles te analyseren en research te doen. Of dezelfde gekke gedachtekronkels heeft. Dus ontleedt Meneer D het voor je.
Let wel: spoiler alert!

Eerder publiceerde Meneer D het gedicht Fnuikend. Meneer D deed het er om. Gebruikte zeer ongebruikelijke woordenboekwoorden en ging ermee goochelen. Meneer D doet dat. Gewoon, omdat het kan. Omdat Meneer D dat leuk vindt of de gewaardeerde lezer het daar nu mee eens is of niet. En om te zorgen dat het nageslacht ook nog snapt wat er in dat gedicht staat, in dit stuk wat uitleg. De lol dat sommige ogenschijnlijk neologische, stante pede bedachte woorden gewoon bestaan. In het woordenboek staan. Daarom. Wat bekendheid geven aan ouderwetsche woorden, opdat je die weer gaat gebruiken (zie ook de Ongebruikelijkte Woorden reeks).

Hieronder het gedicht.

Fnuikend
1. Fnuikend, een pracht vernietigend woord
2. Hoe dan construeer ik toch’n gedicht
3. Zonder noodlotfrats te tarten
4. Die èf-èn if gewoon festoord!

5. Fnuikend; kriebelt aan mijn neus
6. Voor fatale taal alsof’k moet fniezen
7. Ga mentaal te gronde aan de ftisis
8. Toch ervaar ik dit ja onaffreus

9.  Fnuikend, zalige ramp, een pejoratief
10. Het zegt weer factisch alles,
11. Ik kan er nunc èf-niets mee
12. Dit blijft ’n cata-strofe, kansloos fnuikeratief!

Voor de handigheid kun je ook met de muis op onderstippelde woorden staan voor de uitleg van een aantal woorden. Zin voor zin zal Meneer D het gedicht ontleden. Vooral op individuele woorden. Afhankelijk van hoe graag je in woordenboeken bladert of literair ontwikkeld bent, zul je weinig of veel nieuws lezen hieronder. In elk geval worden de keuzes van Meneer D duidelijk. Weinig toevalligheden qua gekke woorden in dit gedicht.

Zin 1. Fnuikend betekent vernietigend, noodlottig, fataal, catastrofaal, rampzalig. Deze betekenissen komen in het gedicht terug. Pracht vernietigend kun je dubbel opvatten. Fnuikend is een prachtig woord. Of een woord dat prachtvernietigend betekent. Vernietigend slaat uiteraard ook op fnuikend.

Zin 3. Noodlotfrats is een neologisme. Met noodlot wordt naar de betekenis van fnuikend verwezen. Fratsen is een woord dat met f-en-medeklinker begint, zoals vele in dit gedicht. Het gedicht bestaat natuurlijk uit louter fratsen. Hier wordt een noodlotfrats getart. De gewone uitdrukking is het lot tarten. Het noodlot wordt hier als frats bestempeld, dus het noodlot wordt niet helemaal serieus genomen. Wat weer fnuikend is, uiteraard.

Zin 4. Èf-èn verwijst fonetisch naar de fn in fnuikend. Fn of f-en-medeklinker aan het begin van een woord is de rode draad in dit gedicht. If betekent is, slissende verbastering. Omdat Meneer D dat leuk vond, meer f’en, zodat het lijkt of de dichter slist. Festoord zit qua betekenis tussen gestoord en verstoord in. Festoord is een neologisme van Meneer D.

Zin 6. Fniezen betekent niezen, een bestaand, maar verouderd woord. Fniezen omdat in zin 5 de fatale taal aan de neus kriebelt. Fatale taal, weer een f, die een verticale spiegeling is van de t uit taal – leuk voor het woordbeeld – en omdat het natuurlijk rijmt. Fatale taal klinkt bijna als een mantra.

Zin 7. Ftisis betekent tering, etymologisch gezien te gronde gaan, wat weer bij fnuikend aansluit. En weer een mooi f-gevolgd-door-medeklinker-woord.

Zin 8.  Ja is een modaal partikel. Een versterkend tussenwerpsel, betekent zoveel als toch, immers. Ja als modaal partikel komt voor in het Gronings en Nedersaksisch (o.a. Twents). En het Duits natuurlijk. Affreus betekent afschuwelijk, het heeft eenzelfde soort negatieve connotatie als fnuikend. Weer die f’en natuurlijk. Onaffreus betekent dus niet afschuwelijk.

Zin 9. Zalige ramp verwijst naar een van de betekenissen van fnuikend: rampzalig. Een pejoratief is een woord met een negatieve connotatie, zoals fnuikend, eikelwijf, ftisis.

Zin 10. Factisch betekent feitelijk. Een duur woord, vergelijkbaar met het Engelse fact. En begint weer met een f.

Zin 11. Nunc is Latijn voor nu (uitspraak: noenk). Met de c die weer spiegelt in factisch en het klank- dan wel woordbeeld dat bij fnuikend aansluit. Èf-niets is dichterlijke vrijheid voor even niets. Om de f maar weer te benadrukken.

Zin 12. Cata-strofe legt de nadruk op de strofe van het gedicht. Daarnaast is catastrofe een van de betekenissen van fnuikend. Fnuikeratief is een samentrekking van fnuikend en verneukeratief. Een neologisme van Meneer D.

Nu alle elementen en woorden uit het gedicht Fnuikend zijn ‘vertaald’, is het gedicht mogelijk (beter) leesbaar. Let wel: Meneer D geeft alleen de handreiking voor losse elementen. De interpretatie, betekenis in zins- en strofecontext laat Meneer D aan de lezer. Aan jou. Dan kun je het als één geheel lezen. Mocht je daar nog fut (ja, geen toevallige keuze met die f en u) voor hebben. Of het een goed gedicht is? Dat laat ik ook aan jou over. Of het geforceerd met weerom een f is? Ja, dat is het. Het is hier vorm boven inhoud. Het gaat om de woorden en het gegoochel, niet om de Weltschmerz met metaforen uit de klassieke oudheid te beschrijven.

En die Meneer D, denkt hij echt bij alles zo diep na om zo’n gekunsteld gedicht te maken? Neen. Uiteraard niet. Sommige dingen zijn opgezocht – bladeren in het Etymologisch Woordenboek doet soms wonderen – edoch de meeste woorden vindt Meneer D al doende. Het zoeken naar verwante klanken, binnenrijm, alliteraties, spiegelingen, woordgegoochel dat gebeurt automatisch. Meneer D ziet alle verbanden, zoals die ene meneer in Rainman geen lucifers hoeft te tellen. Ja, dat vindt Meneer D soms ook vermoeiend. Maar ja, het alter ego Meneer D is een self-proclaimed taalgoochelaar, dus hij moet wel.

F(i)n!

Afrika: What’s in a name? Een cartografisch verhaal

Afrika: What’s in a name? Een cartografisch verhaal

In de 19e eeuw zitten een paar cartografen wat te dubben over een nog lege kaart van het Donkere Continent.

Ad: “Oké, Sue heeft met de lineaal een paar mooie rechte grenzen getrokken en willlekeurig wat landjes getekend. Namen. Namen voor die landjes moeten we hebben. Iemand een goed idee voor dit landje hier? Jij Freek?”
Freek denkt na en weet nog niets: “Tja, Ad…”
Ad: “Tjaad? Check! Kort maar krachtig. Doen we. Het landje ernaast. Freek?”
Freek: “Alweer ik? En Sue dan?”
Ad: “Soedan wordt het. Goed bezig Freek!”
Ger: “Zal ik een naam bedenken voor dat landje westelijk van Tjaad?”
Freek kent de bureaucratisch saaie drochten die Ger bedenkt – Centraal Afrikaanse Republiek bijvoorbeeld – en vreest voor een West- en Noord-West Afrikaanse Republiek.
Freek mompelt meewarrig voor zich uit: “Nie Ger… Nie Ger…”
Ad: “Weer zo’n goeie Freek. Niger staat genoteerd. Dan wil ik Ger toch dat landje zuidelijk van Niger laten doen.”
Freek ziet het niet zo zitten met die saaie namen van Ger. Dan liever Ria. Bizarre ideeën zoals Djibouti, maar tenminste niet zo saai als die van Ger.
Freek kort: “Ad, nie Ger; Ria!”
Ad: “Geef anderen ook een kans mee te doen, Freek. Maar ik vind Nigeria wel mooi. Aan wie zal ik de volgende eens vragen? Landje westelijk van Niger. Ali?”
Ali: “…”
Ali zit zoals gebruikelijk wat te suffen.
Freek gnuift misnoegd over het gebrek aan focus met een afkeurende brom: “Hmmm… Ali…”
Ad: “Zit je erop of zo Freek? Sue, noteer Mali maar op de kaart.”
Freek weet inmiddels niet meer wat hij met de vreemde situatie aan moet. Hij krijgt ook al vreemde blikken van het onafscheidelijke duo Ed & Joopje en houdt nu maar even zijn mond.

Ezelsbrug te ver

Om sommige namen of rijtjes te onthouden, zijn ezelsbruggetjes handig. Ezelsbruggetje is weer een benaming voor een mnemotechniek. Maar een ezelsbruggetje voor ezelsbruggetjes? Een meta-ezelsbrug?

Dat kan ook handig zijn. In het Engels is een ezelsbruggetje een mnemonic. Waarvoor je eigenlijk weer een ezelsbruggetje nodig hebt. Net als voor mnemotechniek. Maar daar gaat Meneer D nu even niet verder op in.

Ezelsbrug is weer een letterlijke vertaling van Latijn pons asinorum. Om interessant te doen en pons asinorum even in een conversatie te injiceren, moet je de term natuurlijk wel kunnen onthouden.

Dus. Een ezelsbruggetje om ezelsbruggetje in het Latijn pons asinorum te kunnen onthouden. Het ezelsbruggetje:

“ponskaart”

De jongere generatie zal het woord misschien niet meer kennen. Of in elk geval het concept niet. Vroeger waren er geen USB Flash Drives, 2TB harde schijven. Zelfs geen floppydisks of magneettapes. Vroeger had men ponskaarten. Stevige kartonnen kaarten met gaatjes. En die gaatjes op de juiste plek staan weer voor bepaalde instructies voor de computer. Vergelijk het maar met de gaatjesrol van een draaiorgel. Ponskaart in de computer steken, dan nog een, dan nog een. En de computer gaat 2×6 uitrekenen. Maar goed, Meneer D dwaalt af. Ponskaart. Niet meer dan een geponste kaart; een kaart met gaatjes.

Met ponskaart hebben we stiekem al deel één van pons asinorum. Hoe nu de rest te onthouden? Heel simpel. Bij een ponskaart denk je aan gaatjes. Denk je aan gaatjes ergens in ponsen of prikken, dan denk je aan ezeltje-prik-je.

De jongere generatie zal ezeltje-prik-je vast niet meer kennen, want er is geen iPhone app voor en ook niet verkrijgbaar voor de Wii. Enfin, Meneer D valt in herhaling. Stuk papier of karton met een ezel, blinddoek en prikken maar met de staart-aan-een-punaise. Hilariteit alom. Ezel met gaatjes.

Van ponskaart tot ezeltje-prik-je. Bij ezeltje-prik-je denk je natuurlijk weer aan een ezel. Omdat je nog onthouden hebt dat ponskaart een ezelsbruggetje is voor ezelsbruggetje in het Latijn, moet je dus ezel in het Latijn hebben. En zoals iedereen weet, is ezel in het Latijn asinus.

Mocht je dat niet weten, dan is het ezelsbruggetje dat de curves van de brug golven als a sinus (of a cosinus, maar dan zonder co). Of misschien makkelijker, het als a sinus in toonhoogte op en neer gaande klankpatroon van een balkende ezel: ie-aa-ie-aa. Maar deze alinea is wat loos. Iedereen weet wel dat asinus Latijn is voor ezel!

We hebben van ponskaart nu pons en via ezeltje-prik-je ook asinus. Het enige wat je nog hoeft te doen is asinus van de juiste uitgang in het Latijn voorzien en voilà: pons asinorum.

Waren alle ezelsbruggetjes maar zo makkelijk.

Ezelsbruggetje. Ponskaart. Pons asinorum.

Bantamusten!

Bij het boksen heb je gewichtsklassen. En boksen heeft een overeenkomst met slapen; je kunt ook zeggen dat je gestrekt gaat, dat je knock-out was, bij tot tien tellen het over de schaapjes hebben.

Qua gewichtsklassen zijn er onder andere veder-, bantam-, welter– en zwaargewicht. Je kunt ook gewicht toekennen aan de zwaarte van de slaap die je iemand toewenst. En dat deden we van oudsher ook. De bekendste is welterusten. Het eerste deel welter komt etymologisch van het Middelnederlandse welteren, dat rollen betekent. Het tweede deel -usten komt – zoals mensen die wat van etymologie weten – van het Griekse hustera, dat moederschoot betekent. Je wenst met welterusten iemand een gemiddeld zware slaap toe, letterlijk rollen in de moederschoot; slapen als een baby, omrollen van de slaap of je nog eens lekker omdraaien in bed dan wel de moederschoot.

De andere varianten zijn iets minder bekend in het algemeen taalgebruik. Vederusten, daarmee wens je iemand een dons(veder) zachte slaap, als dan niet met donzen dekbed.
Als je iemand bantamusten wenst, wens je iemand een korte of lichte slaap toe. Bantam komt etymologisch van bantammer, een soort kip van Banten (een vroeger sultanaat in het westen van Java). Met bantamusten wens je iemand dus ook met de kippen op stok gaan toe.

Ik ga die vergeten woorden eens vaker gebruiken, dus: Bantamusten allemaal!