Aderspatten

Taal verandert. Dat is een van de charmes van taal. Van de mieterse jaren vijftig tot de kicken jaren negentig. Sommige vakgebieden veranderen zo hard, dat de gebruikte vocabulaire onherkenbaar wordt, omdat begrippen, instrumenten en methodieken totaal in onbruik zijn geraakt. Wie heeft er nog met ponskaarten of magneettapes gewerkt? Of wie kan er op papier nog worteltrekken? Of kent nog steno? Verwant: Meneer D kan nog steeds Graffiti schrijven (schrift voor op de Palm PDA’s, tien jaar geleden). Technologie verandert het hardst. Vijftien jaar geleden zei Baud je nog wat, nu is 3G bijna een archaïsche term.

Om naar taalverandering te kijken, en niet naar taalvernieuwing door vernieuwing in technologie en kennis, moet je dus kijken naar iets wat niet significant verandert. Het menselijk lichaam. We breken nog steeds botten, we hebben nog steeds aneurisma’s, we groeien nog, hebben nog steeds darmen en krijgen nog steeds kinderen.

Vandaag las Meneer D ‘Oude Lectuur’, zoals elke zaterdag. Meneer D heeft net het ‘Kort overzicht van de Nederlandsche letterkunde’ door C. de Dood uit 1932 uit. Dus was Meneer D wel toe aan ‘Voorlezingen over ziekenverpleging’ door Dr. J. Eduard Stumpff, oud-geneesheer-directeur van het binnen-gasthuis te Amsterdam. De 15e herziene druk uit 1947. De eerste druk dateert van 1907. Het binnen-gasthuis te Amsterdam was toen het meest toonaangevende ziekenhuis in Nederland.

Meneer D kwam een herkenbare afbeelding tegen. Onmiskenbaar spataders. Het onderschrift luidde echter anders. Geen spataders. Neen, figuur 61 vermeldt aderspatten.

Aderspatten. Het lichaam verandert niet. Behandelingsmethoden zijn in 65, dan wel 105, jaar drastisch veranderd. Ingewikkelde medische termen, al dan niet van Latijn afgeleid, willen nog wel eens wijzigen; vergelijk Bilharzia maar eens met Schistosomiasis. Klaarblijkelijk veranderen gewoon Nederlandse benamingen over tijd ook. Wanneer zou dit gewijzigd zijn? Aderspatten wordt nog steeds in medisch land gebruikt, maar is toch wel flink verdrongen, zeker in de volksmond, door spataders.

Vanmiddag op Twitter verzon men omklapwoorden. Woorden als koolzuur-zuurkool. Getagt met #taghash of #omklapwoorden. Het toeval wil, dat aderspat ook een omklapwoord is samen met spatader! Voor een compleet overzicht van het omklapwoordenspel van vanmiddag, kun je even op Storify kijken. Meneer D laat zijn aderen voorlopig nog maar niet spatten, zeker niet van het scherm af.

De Nederlandse taal de afgelopen 100 jaar, om Herman Finkers aan te halen, is geen spatader veranderd?

Harr!

Piraten stammen rechtstreeks van de plunderde Vikingen af; het “Harr, harr!” komt van het Deense ‘har’, dat ‘hebben’ betekent.

Dus eigenlijk roepen de buitbeluste piraten steeds heel toepasselijk “Hebben, hebben!”

Gepubliceerd op Twitter.
Lees ook Somalische piraten nu ook online! en Prietpiraat .

Meneer D Ontleed – poëzie: Huis in Kells

Meneer D ontleed: het gedicht Huis in Kells van René van Loenen.

Stukjes van Meneer D worden ontleed in Meneer D Ontleed. Niet alles wat Meneer D schrijft zal voor iedereen direct in al haar facetten begrijpelijk zijn. Dubbele bodems, (wetenschappelijke) verwijzingen, totaal onnavolgbare gedachtegangen van Meneer D, bizarre neologismen, obscure woorden. Meneer D kan niet verwachten dat de lezer, jij, de tijd en moeite neemt om alles te analyseren en research te doen. Of dezelfde gekke gedachtekronkels heeft. Dus ontleedt Meneer D het voor je.

Normaliter ontleedt Meneer D in deze rubriek zijn eigen (cryptische) schrijfsels. Dit keer een uitzondering. Een gedicht van René van Loenen. Omdat er zulk mooi taaltoeval in het gedicht staat.

Huis in Kells

De schoorsteen staat in bloei. Vensters ogen
als gaten. Dronken gaat de wind in en uit.

Een braamstruik slingert zich het trapgat
door en in de keuken waar de schapen poepen
groeit vluchtig een berk.

er moet nog iemand zijn. Niet hier maar ergens
sluimeren herinneringen: er is een tijd geweest

dat rook de schoorsteen met verhalen vulde,
de nacht niet verder dan de vensters kwam.

René van Loenen, uit: Mooi Voetenwerkuitgeverij Mozaïek, 2005

Een prachtig beeld wordt in dit gedicht geschetst. Je kunt het bijna proeven, je loopt door het huis. Edoch, Meneer D wil niet het hele gedicht gaan analyseren, alleen de eerste twee regels.

Kells is een Ierse plaats. Bekend van The Book of Kells dat 4 evangelies uit het Nieuwe Testament bevat: “Het Book of Kells werd rond het jaar 800 geschreven door Keltische monniken en geldt als een meesterwerk van de westerse kalligrafie in insulaire stijl.” Een plaats met grote historie dus. En daar staat dit huis. Vervallen huis.

En wat schrijft Van Loenen in zijn eerste twee zinnen?

De schoorsteen staat in bloei. Vensters ogen
als gaten. Dronken gaat de wind in en uit.

Een mooi beeld. Meneer D zou ‘het’ met al zijn taalgegoochel en vijftien lagen bewust ingestopt hebben. Meneer Van Loenen misschien ook, misschien is het slechts toeval. Prachtig toeval.

In Kells in Ierland spreekt men (tegenwoordig) Engels. Het Engelse woord voor raam is window.

Etymologisch is window letterlijk wind-oog. Het woord window komt van het Oud-Noords vindauga, van vindr (wind) + auga (oog). Oud-Noords wordt ook wel Viking-Noords genoemd en werd gesproken door de Vikingen die zo rond 875-950 Engeland binnenvielen. Het woord window verving het Oud-Engelse eagþyrl, letterlijk oog-gat en eagduru, letterlijk oog-deur. Het overdrachtelijke van oog is op zich al poëtisch.

Een raam was oorspronkelijk gewoon een gat in de muur waar de wind in en uit ging. Vandaar oorspronkelijk ook wind-gat. Venster is in de meeste Germaanse talen gebruikt voor een raam met glas (zie de etymologie). Behalve in het Engels.

In het gedicht staan windvensters en ogen optisch vlak bij elkaar. De ogen als gaten waar de wind in en uit gaat geeft nog meer (onbedoelde) historische lading aan een toch al historische setting. Zoals vroeger ramen waren, zelfs voordat er glas was. En nu weer zo is. Het Engelse window, etymologisch verwoven in het gedicht.

Taaltoeval? Meneer D vindt het prachtig; poëtisch mooi hoe de woorden, betekenis, historie en etymologie hier samenvallen.

Meneer D Ontleed: het gedicht Fnuikend

Meneer D ontleed: het gedicht Fnuikend.

Stukjes van Meneer D worden ontleed in Meneer D Ontleed. Niet alles wat Meneer D schrijft zal voor iedereen direct in al haar facetten begrijpelijk zijn. Dubbele bodems, (wetenschappelijke) verwijzingen, totaal onnavolgbare gedachtegangen van Meneer D, bizarre neologismen, obscure woorden. Meneer D kan niet verwachten dat de lezer, jij, de tijd en moeite neemt om alles te analyseren en research te doen. Of dezelfde gekke gedachtekronkels heeft. Dus ontleedt Meneer D het voor je.
Let wel: spoiler alert!

Eerder publiceerde Meneer D het gedicht Fnuikend. Meneer D deed het er om. Gebruikte zeer ongebruikelijke woordenboekwoorden en ging ermee goochelen. Meneer D doet dat. Gewoon, omdat het kan. Omdat Meneer D dat leuk vindt of de gewaardeerde lezer het daar nu mee eens is of niet. En om te zorgen dat het nageslacht ook nog snapt wat er in dat gedicht staat, in dit stuk wat uitleg. De lol dat sommige ogenschijnlijk neologische, stante pede bedachte woorden gewoon bestaan. In het woordenboek staan. Daarom. Wat bekendheid geven aan ouderwetsche woorden, opdat je die weer gaat gebruiken (zie ook de Ongebruikelijkte Woorden reeks).

Hieronder het gedicht.

Fnuikend
1. Fnuikend, een pracht vernietigend woord
2. Hoe dan construeer ik toch’n gedicht
3. Zonder noodlotfrats te tarten
4. Die èf-èn if gewoon festoord!

5. Fnuikend; kriebelt aan mijn neus
6. Voor fatale taal alsof’k moet fniezen
7. Ga mentaal te gronde aan de ftisis
8. Toch ervaar ik dit ja onaffreus

9.  Fnuikend, zalige ramp, een pejoratief
10. Het zegt weer factisch alles,
11. Ik kan er nunc èf-niets mee
12. Dit blijft ’n cata-strofe, kansloos fnuikeratief!

Voor de handigheid kun je ook met de muis op onderstippelde woorden staan voor de uitleg van een aantal woorden. Zin voor zin zal Meneer D het gedicht ontleden. Vooral op individuele woorden. Afhankelijk van hoe graag je in woordenboeken bladert of literair ontwikkeld bent, zul je weinig of veel nieuws lezen hieronder. In elk geval worden de keuzes van Meneer D duidelijk. Weinig toevalligheden qua gekke woorden in dit gedicht.

Zin 1. Fnuikend betekent vernietigend, noodlottig, fataal, catastrofaal, rampzalig. Deze betekenissen komen in het gedicht terug. Pracht vernietigend kun je dubbel opvatten. Fnuikend is een prachtig woord. Of een woord dat prachtvernietigend betekent. Vernietigend slaat uiteraard ook op fnuikend.

Zin 3. Noodlotfrats is een neologisme. Met noodlot wordt naar de betekenis van fnuikend verwezen. Fratsen is een woord dat met f-en-medeklinker begint, zoals vele in dit gedicht. Het gedicht bestaat natuurlijk uit louter fratsen. Hier wordt een noodlotfrats getart. De gewone uitdrukking is het lot tarten. Het noodlot wordt hier als frats bestempeld, dus het noodlot wordt niet helemaal serieus genomen. Wat weer fnuikend is, uiteraard.

Zin 4. Èf-èn verwijst fonetisch naar de fn in fnuikend. Fn of f-en-medeklinker aan het begin van een woord is de rode draad in dit gedicht. If betekent is, slissende verbastering. Omdat Meneer D dat leuk vond, meer f’en, zodat het lijkt of de dichter slist. Festoord zit qua betekenis tussen gestoord en verstoord in. Festoord is een neologisme van Meneer D.

Zin 6. Fniezen betekent niezen, een bestaand, maar verouderd woord. Fniezen omdat in zin 5 de fatale taal aan de neus kriebelt. Fatale taal, weer een f, die een verticale spiegeling is van de t uit taal – leuk voor het woordbeeld – en omdat het natuurlijk rijmt. Fatale taal klinkt bijna als een mantra.

Zin 7. Ftisis betekent tering, etymologisch gezien te gronde gaan, wat weer bij fnuikend aansluit. En weer een mooi f-gevolgd-door-medeklinker-woord.

Zin 8.  Ja is een modaal partikel. Een versterkend tussenwerpsel, betekent zoveel als toch, immers. Ja als modaal partikel komt voor in het Gronings en Nedersaksisch (o.a. Twents). En het Duits natuurlijk. Affreus betekent afschuwelijk, het heeft eenzelfde soort negatieve connotatie als fnuikend. Weer die f’en natuurlijk. Onaffreus betekent dus niet afschuwelijk.

Zin 9. Zalige ramp verwijst naar een van de betekenissen van fnuikend: rampzalig. Een pejoratief is een woord met een negatieve connotatie, zoals fnuikend, eikelwijf, ftisis.

Zin 10. Factisch betekent feitelijk. Een duur woord, vergelijkbaar met het Engelse fact. En begint weer met een f.

Zin 11. Nunc is Latijn voor nu (uitspraak: noenk). Met de c die weer spiegelt in factisch en het klank- dan wel woordbeeld dat bij fnuikend aansluit. Èf-niets is dichterlijke vrijheid voor even niets. Om de f maar weer te benadrukken.

Zin 12. Cata-strofe legt de nadruk op de strofe van het gedicht. Daarnaast is catastrofe een van de betekenissen van fnuikend. Fnuikeratief is een samentrekking van fnuikend en verneukeratief. Een neologisme van Meneer D.

Nu alle elementen en woorden uit het gedicht Fnuikend zijn ‘vertaald’, is het gedicht mogelijk (beter) leesbaar. Let wel: Meneer D geeft alleen de handreiking voor losse elementen. De interpretatie, betekenis in zins- en strofecontext laat Meneer D aan de lezer. Aan jou. Dan kun je het als één geheel lezen. Mocht je daar nog fut (ja, geen toevallige keuze met die f en u) voor hebben. Of het een goed gedicht is? Dat laat ik ook aan jou over. Of het geforceerd met weerom een f is? Ja, dat is het. Het is hier vorm boven inhoud. Het gaat om de woorden en het gegoochel, niet om de Weltschmerz met metaforen uit de klassieke oudheid te beschrijven.

En die Meneer D, denkt hij echt bij alles zo diep na om zo’n gekunsteld gedicht te maken? Neen. Uiteraard niet. Sommige dingen zijn opgezocht – bladeren in het Etymologisch Woordenboek doet soms wonderen – edoch de meeste woorden vindt Meneer D al doende. Het zoeken naar verwante klanken, binnenrijm, alliteraties, spiegelingen, woordgegoochel dat gebeurt automatisch. Meneer D ziet alle verbanden, zoals die ene meneer in Rainman geen lucifers hoeft te tellen. Ja, dat vindt Meneer D soms ook vermoeiend. Maar ja, het alter ego Meneer D is een self-proclaimed taalgoochelaar, dus hij moet wel.

F(i)n!

Afrika: What’s in a name? Een cartografisch verhaal

Afrika: What’s in a name? Een cartografisch verhaal

In de 19e eeuw zitten een paar cartografen wat te dubben over een nog lege kaart van het Donkere Continent.

Ad: “Oké, Sue heeft met de lineaal een paar mooie rechte grenzen getrokken en willlekeurig wat landjes getekend. Namen. Namen voor die landjes moeten we hebben. Iemand een goed idee voor dit landje hier? Jij Freek?”
Freek denkt na en weet nog niets: “Tja, Ad…”
Ad: “Tjaad? Check! Kort maar krachtig. Doen we. Het landje ernaast. Freek?”
Freek: “Alweer ik? En Sue dan?”
Ad: “Soedan wordt het. Goed bezig Freek!”
Ger: “Zal ik een naam bedenken voor dat landje westelijk van Tjaad?”
Freek kent de bureaucratisch saaie drochten die Ger bedenkt – Centraal Afrikaanse Republiek bijvoorbeeld – en vreest voor een West- en Noord-West Afrikaanse Republiek.
Freek mompelt meewarrig voor zich uit: “Nie Ger… Nie Ger…”
Ad: “Weer zo’n goeie Freek. Niger staat genoteerd. Dan wil ik Ger toch dat landje zuidelijk van Niger laten doen.”
Freek ziet het niet zo zitten met die saaie namen van Ger. Dan liever Ria. Bizarre ideeën zoals Djibouti, maar tenminste niet zo saai als die van Ger.
Freek kort: “Ad, nie Ger; Ria!”
Ad: “Geef anderen ook een kans mee te doen, Freek. Maar ik vind Nigeria wel mooi. Aan wie zal ik de volgende eens vragen? Landje westelijk van Niger. Ali?”
Ali: “…”
Ali zit zoals gebruikelijk wat te suffen.
Freek gnuift misnoegd over het gebrek aan focus met een afkeurende brom: “Hmmm… Ali…”
Ad: “Zit je erop of zo Freek? Sue, noteer Mali maar op de kaart.”
Freek weet inmiddels niet meer wat hij met de vreemde situatie aan moet. Hij krijgt ook al vreemde blikken van het onafscheidelijke duo Ed & Joopje en houdt nu maar even zijn mond.

Ezelsbrug te ver

Om sommige namen of rijtjes te onthouden, zijn ezelsbruggetjes handig. Ezelsbruggetje is weer een benaming voor een mnemotechniek. Maar een ezelsbruggetje voor ezelsbruggetjes? Een meta-ezelsbrug?

Dat kan ook handig zijn. In het Engels is een ezelsbruggetje een mnemonic. Waarvoor je eigenlijk weer een ezelsbruggetje nodig hebt. Net als voor mnemotechniek. Maar daar gaat Meneer D nu even niet verder op in.

Ezelsbrug is weer een letterlijke vertaling van Latijn pons asinorum. Om interessant te doen en pons asinorum even in een conversatie te injiceren, moet je de term natuurlijk wel kunnen onthouden.

Dus. Een ezelsbruggetje om ezelsbruggetje in het Latijn pons asinorum te kunnen onthouden. Het ezelsbruggetje:

“ponskaart”

De jongere generatie zal het woord misschien niet meer kennen. Of in elk geval het concept niet. Vroeger waren er geen USB Flash Drives, 2TB harde schijven. Zelfs geen floppydisks of magneettapes. Vroeger had men ponskaarten. Stevige kartonnen kaarten met gaatjes. En die gaatjes op de juiste plek staan weer voor bepaalde instructies voor de computer. Vergelijk het maar met de gaatjesrol van een draaiorgel. Ponskaart in de computer steken, dan nog een, dan nog een. En de computer gaat 2×6 uitrekenen. Maar goed, Meneer D dwaalt af. Ponskaart. Niet meer dan een geponste kaart; een kaart met gaatjes.

Met ponskaart hebben we stiekem al deel één van pons asinorum. Hoe nu de rest te onthouden? Heel simpel. Bij een ponskaart denk je aan gaatjes. Denk je aan gaatjes ergens in ponsen of prikken, dan denk je aan ezeltje-prik-je.

De jongere generatie zal ezeltje-prik-je vast niet meer kennen, want er is geen iPhone app voor en ook niet verkrijgbaar voor de Wii. Enfin, Meneer D valt in herhaling. Stuk papier of karton met een ezel, blinddoek en prikken maar met de staart-aan-een-punaise. Hilariteit alom. Ezel met gaatjes.

Van ponskaart tot ezeltje-prik-je. Bij ezeltje-prik-je denk je natuurlijk weer aan een ezel. Omdat je nog onthouden hebt dat ponskaart een ezelsbruggetje is voor ezelsbruggetje in het Latijn, moet je dus ezel in het Latijn hebben. En zoals iedereen weet, is ezel in het Latijn asinus.

Mocht je dat niet weten, dan is het ezelsbruggetje dat de curves van de brug golven als a sinus (of a cosinus, maar dan zonder co). Of misschien makkelijker, het als a sinus in toonhoogte op en neer gaande klankpatroon van een balkende ezel: ie-aa-ie-aa. Maar deze alinea is wat loos. Iedereen weet wel dat asinus Latijn is voor ezel!

We hebben van ponskaart nu pons en via ezeltje-prik-je ook asinus. Het enige wat je nog hoeft te doen is asinus van de juiste uitgang in het Latijn voorzien en voilà: pons asinorum.

Waren alle ezelsbruggetjes maar zo makkelijk.

Ezelsbruggetje. Ponskaart. Pons asinorum.

Bantamusten!

Bij het boksen heb je gewichtsklassen. En boksen heeft een overeenkomst met slapen; je kunt ook zeggen dat je gestrekt gaat, dat je knock-out was, bij tot tien tellen het over de schaapjes hebben.

Qua gewichtsklassen zijn er onder andere veder-, bantam-, welter– en zwaargewicht. Je kunt ook gewicht toekennen aan de zwaarte van de slaap die je iemand toewenst. En dat deden we van oudsher ook. De bekendste is welterusten. Het eerste deel welter komt etymologisch van het Middelnederlandse welteren, dat rollen betekent. Het tweede deel -usten komt – zoals mensen die wat van etymologie weten – van het Griekse hustera, dat moederschoot betekent. Je wenst met welterusten iemand een gemiddeld zware slaap toe, letterlijk rollen in de moederschoot; slapen als een baby, omrollen van de slaap of je nog eens lekker omdraaien in bed dan wel de moederschoot.

De andere varianten zijn iets minder bekend in het algemeen taalgebruik. Vederusten, daarmee wens je iemand een dons(veder) zachte slaap, als dan niet met donzen dekbed.
Als je iemand bantamusten wenst, wens je iemand een korte of lichte slaap toe. Bantam komt etymologisch van bantammer, een soort kip van Banten (een vroeger sultanaat in het westen van Java). Met bantamusten wens je iemand dus ook met de kippen op stok gaan toe.

Ik ga die vergeten woorden eens vaker gebruiken, dus: Bantamusten allemaal!

Bleek

Sommige woorden bestaan vooral in een bepaalde context. Die context geeft een mooi tijdsbeeld. Zeker als je het op een rijtje zet, dan ademt er iets van tijdsgeest en preoccupatie uit.

Neem nu het woord bleek. Vroeger, tot aan het begin van de 20e eeuw werd ‘bleek’ vooral geassocieerd met het wasdroogveldje midden in het dorp. Zwoegende noeste arbeid, wasbordjes, schrobben en in de vrije natuur alles laten drogen om het maar stralend wit te krijgen. Maar vooral ook: gedeelde arbeid, samen aan het werk. Buiten.

De collectieve massa begon zich meer bewust te worden, de traditionele rollen van arbeiders en bazen vervaagden. Het denken en de politiek werden meer deel van het dagelijks leven van ieder individu. Het bestaan deed ertoe. Het existentialisme. Dit was de filosofische periode, die het individu al dan niet vrij maakte. Bewust maakte. Of niet? ‘Bleek’ bleek het scheen zo te zijn te betekenen, vrij filosofisch allemaal.

Omstreeksdie tijd kregen we de Tweede Wereldoorlog, recessies, wapenwedlopen. Het leven was niet altijd zo rooskleurig, nee letterlijk niet meer. Het was niet meer het collectief dat buiten op het veld aan het ploeteren was. Ook geen eindeloze bespiegelingen meer. Het was individualistischer geworden; in die tijd werd ‘bleek’ in verband gebracht met toepasselijk wegtrekken en gezicht.

Daarna kwam de aandachtsverschuiving, de afleiding. Maar ook: minder het ouderwetse schrobben. De industrialisering was eind 20e eeuw allang een feit, de technologie rukte op en de ene uitvinding volgde de andere op om het leven aangenamer te maken. Toch, de focus zegt ook wel iets over waar mensen stonden. Waar ze aan dachten. Hoe de maatschappij functioneert, de essentie van het bestaan verwoven met moderne geneugten van comfort: ‘bleek’ bestaat in de context van wc…

Dan de 21e eeuw. De individualisering is voltooid, het gaat erom hoeveel aandacht je krijgt. Dat bepaalt wie je bent. Je vrienden op Hyves en Facebook, de volgers op Twitter. Het succes, de carrière, het gezin, de perfecte partner. Het stimuleren van ontevredenheid, het anderen ontevreden maken met hoe goed je zelf schijnbaar bent. Het consumeren. Eigenlijk: de onzekerheid, toch weer die existentiële crisis. Ook ‘bleek’ volgt deze trend. Hoe individualistisch, hoe 21e eeuw en hoe typerend en treffend kan het zijn dat ‘bleek’ nu ook verbonden is aan anus…

Kinderkankercentrum & Kentumtalen

Nieuws: Utrecht krijgt kinderkankercentrum.

Het gaat Meneer D om dat laatste woord. Kinderkankercentrum. Vast heel nuttig, maar dat heeft momenteel verminderd Meneer D’s interesse.
Meneer D zit met een paradox. Soort van. Het Nederlands is samen met het grootste deel van de Europese talen een kentumtaal. Een verouderd begrip. En dat zal blijken. Kentumtaal komt er op neer dat taalhistorisch gezien het Latijnse woord voor honderd centum als kentum wordt uitgesproken. In tegenstelling tot de satemtalen. Daar zeggen ze gewoon satem als ze centum zien. Kortom, als we deze leer aanhangen, dan moeten we bij centrum niet sentrem zeggen in Nederland, maar kentrem. Verwarrend. Als we dus puur een kentumtaal waren – en dat zijn we niet, want de hele taalhistorische wetenschap vindt het wat irrelevant en achterhaald – dan zeiden we kentrem. En dan wordt dat centrum in Utrecht veel mooier. Poëtischer. Kindertjes meteen een stuk blijer.

Meneer D pleit ervoor het kinderkankercentrum voortaan mooi op de ‘k’ allitererend met ‘i’, ‘a’ ‘è’ klinkeropvolging en mooie jambes met steeds een sjwa te schrijven en spreken als:

“Kinderkankerkentrem”

Poëzie in één woord!

 

Lidwoorden

Het Engels kent 2 lidwoorden: the, a. Waarbij de laatste ook in de variant an voorkomt. Het Nederlands kent 4 lidwoorden: de, het, een, lul.

In het Nederlands doet zich een vreemd verschijnsel voor, wat maar in weinig talen voorkomt. Sterker: ik daag je uit een andere taal te vinden waar dit verschijnsel ook acte de presence geeft. In het Nederlands zijn alle 4 de lidwoorden toe te passen op een (1) zelfstandig naamwoord.

Een specifiek voorbeeld betreft het woord voetbal. We kunnen het hebben over: de voetbal, het voetbal, een voetbal, lul voetbal. Het laatste geval doet zich vooral gelden bij tv analyses als varkensharenborstelwenkbrauw Van Hanegem en walrus-hap-op-de-bovenlip Derksen aan het woord zijn. Opvallend genoeg blijkt juist het antoniem van lidwoord lul bij lul voetbal een veel krachtiger effect te sorteren. En vaak zelfs meer de waarachtige kern weer te geven.

Wellicht daardoor wordt het antoniem veel meer gebruikt binnen deze context dan het eerder genoemde lidwoord. We hebben het hier natuurlijk over kut. Kut voetbal!

Ongebruikelijkte woorden: svarabhaktivocaal

Svarabhaktivocaal. Niet het meest ongebruikelijkte woord dat er bestaat. Maar wel een woord van grote schoonheid. Een mogelijke ramp voor dyslectici en stotteraars. Een woord met 5 a’s. Een woord dat er exotisch en moeilijk uitziet. Hieronder volgt zo de betekenis, heel even geduld.

Feitelijk beginnen: wat is de Googlejacentiën Index van svarabhaktivocaal? Google leert ons het volgende:

  • svarabhaktivocaal – Googlejacentiën Index: 899

Achthonderdnegenennegentig resultaten. Dat is een flink hoge Googlejacentiën Index toch wel. Gelukkig is het woord ongebruikelijkt genoeg om niet door de spellingschecker herkend te worden, noch staat het in het Groene Boekje. Of Witte. Svarabhaktivocaal – zelfs typend is het voor Meneer D geen tonguetwister, edoch zowat een fingertwister bij het tienvingerig blind typen – blijkt niet buitengemeen ongebruikelijkt als er zelfs een Wikipedia pagina voor is en Onze Taal er een compleet taaladvies aan wijdt:

Een svarabhaktivocaal is een uh-klank die in de spreektaal tussen twee medeklinkers wordt ingevoegd om de uitspraak te vergemakkelijken. Het gaat om de klank die wordt gehoord in [melluk] (melk) en [arrum] (arm).

Deze stomme e, in vaktaal wel sjwa genoemd, kan niet overal worden ingevoegd. Het invoegen van een svarabhaktivocaal is alleen mogelijk in lettergrepen die eindigen op twee medeklinkers waarvan de eerste de l of de is; de tweede mag geen t- of s-klank zijn: [werruk], [dorrup], [halluf], [hellup], maar [hals] (niet [hallus]), [held] (niet [hellud]), [milt] (niet [millut]). Uit die laatste voorbeelden blijkt dat het dus niet om de spelling, maar om de uitspraak van het woord gaat.

Het woord svarabhakti is Oudindisch. In Van Dale (2005) wordt het woord als volgt verklaard:svara betekent ‘klank, klinker’ en bhakti betekent ‘deel, verdeling’: ‘verdeling/scheiding in een woord door een klinker’. Het woord is in de eerste decennia van de 20ste eeuw in gebruik gekomen in de taalkunde. Soms wordt voor dit verschijnsel ook de naam sjwa-insertiegebruikt.

Svarabhaktivocaal is dus een leuk woord voor een klein groepje fonetiekelingen (blijft u met die neologismes strooien, Meneer D? Meneer D: ja!). Het is een mooi woord uit de taalkunde, uit de hoek van fonologie. Een woord om iets uit de spreektaal te beschrijven. En naast de taalwetenschappelijke context en interesse zal er een kleine groep mensen zijn die het woord als puzzelwoord of ongebruikelijkt woordenboekwoord waarderen, zoals Meneer D.

Wat vindt Meneer D nu zo mooi aan svarabhaktivocaal? Het woordbeeld is natuurlijk prachtig. Het doet Meneer D wat denken aan de voornaam Bhaktaprasad uit een leuk kikkerkinderboek. Meneer D haalt vooral de lol uit het schier onmogelijk gecompliceerde woord voor een miniem simpel klankje. Iets heel simpels. Dat je zo vaak zegt. Iedereen kent het. Mel-luk. Veel primitiever kan taal bijna niet zijn. Voordat meneer Cro Magnon “oenga oenga” kon zeggen, zei hij “uh”, zoals de zwakke sjwa uit mel-luk. Hij gebruikte een svarabhaktivocaal, maar dat wist-ie niet. Net zoals veel mensen het waarschijnlijk niet weten. Hoeveel mensen zeggen: “Mag ik de melk?” en denken daarbij: “Goh, sprak ik zojuist een svarabhaktivocaal uit? Gaaf zeg! Vanaf nu ga ik ook letten op mijn glottisslagen! Nu maar hopen dat niemand dat gaat na-apen.” Weinig. Kan Meneer D verzekeren. Simpel verschijnsel, prachtige term om zoiets simpels te benoemen.

Enfin (Meneer D wilde enfin eens gebruiken, omdat het niet in zijn standaardrepertoire zit), svarabhaktivocaal is een ongebruikelijkt woord. Ook met dit prachtige fonetiekelingen woordenboekwoord willen we – wil Meneer D – dat het minder ongebruikelijkt wordt. Meneer D wil de lezer stimuleren svarabhaktivocaal in een conversatie te gebruiken. Niet zomaar: “Kijk eens wat voor woord ik nu weer geleerd heb!” Nee, gewoon. In context. Spontaan, als het echt van toepassing is. Meneer D zal de lezer een handreiking doen.

Stel, je zit na een dagje gezellig winkelen in een Amsterdamse – of Zaanse – kroeg. Je hoort de man of vrouw naast je met een onvervalst West-Fries accent spreken. Je herkent de herkomst van het accent meteen. West-Fries en wel te verstaan: Alkmaar. Duidelijk. West-Fries, met zo’n dikke dubbelle-dubbelle eL.
Wie deze eL niet herkent, kan zich even verdiepen in de uitspraak van de Purmerendse Britt Dekker met haar – voor sommigen mogelijk ietwat te platte – muziekclipje F*cking Vet: “Toen ik naar Suriname vloog”, het clipje begint bij die zin, zodat het ongerief beperkt blijft. Ok, Purmerend is niet Alkmaar, maar de eL is close enough.
In alle geveinsde onwetendheid vraag je – na eerst wat beleefdheden te hebben uitgewisseld over het weer en het bier – waar de ander vandaan komt.
De ander reageert met: “Ik kom uit Al-lukmaar”.
Alkmaar heeft op zijn Alkmaars bijna drie lettergrepen, een heel ander verhaal dan een net Hollands glas mel-k.
Je kunt nu dus spontaan antwoorden: “Ah, wat leuk, uit Alkmaar! Ik meende het West-Friese accent al te herkennen, prachtig hoe u de svarabhaktivocaal in uw uitspraak Alkmaar weet op te rekken met een sterk verlengde sjwa tot schier een syllabe! Die klankwaarneming verwarmt mijn fonetische hart bijna net zo hard als deze whiskey. À propos whiskey, kan ik u nog wat te drinken aanbieden?”
Zo heeft u prachtig s-geallitereerd de Alkmaarder aangesproken, svarabhaktivocaal in een conversatie gebezigd zonder aanmatigend te zijn en je gesprekspartner tevreden gesteld met een drankje.

Zo simpel kan het gebruik van svarabhaktivocaal in een conversatie zijn!

Ongebruikelijkte woorden: Googlejacentiën Index

Ok, Googlejacentiën in de titel is geen ongebruikelijkt woord, het is een neologisme. Zojuist door Meneer D bedacht.

Voor alle ongebruikelijkte woorden wil Meneer D graag een indicatie hebben van hoe ongebruikelijkt die woorden eigenlijk zijn. Vandaar dat Meneer D de Ongebruikelijkte Woorden Index gaat gebruiken, ook wel Googlejacentiën Index genoemd. Googlejacentiën is samengesteld naar analogie van circumjacentiën; van Google en  Latijn jacere dat liggen betekent. Kortom: hoe ligt het woord in Google? Met de Googlejacentiën Index wil Meneer D aangeven hoe ongebruikelijkt het vorige week geblogde Ongebruikelijkte woord Circumjacentiën is. En in de toekomst voor elk nieuw ongebruikelijkt woord waar Meneer D over wil schrijven. Hoe lager de Googlejacentiën Index, hoe ongebruikelijkter het woord.

Die Googlejacentiën Index is heel simpel: hoeveel (unieke) Nederlandstalige zoekresultaten geeft Google voor een bepaald ongebruikelijkt woord. Voor circumjacentiën geeft Google 16 (unieke) resultaten (50 met dubbele, maar tel maar en kijk op pagina 2).

  • Circumjacentiën – Googlejacentiën Index: 16

Sommige oplettende lezers zullen wellicht opmerken dat Google 18 unieke zoekresultaten geeft. Dat klopt. De Googlejacentiën Index moet worden gemeten vóórdat Meneer D over het ongebruikelijkte woord blogt. Een blogpost van Meneer D beïnvloedt mogelijkerwijs de Googlejacentiën Index. In het geval van circumjacentiën staan op de plaatsen 3 en 4 in de zoekresultaten (momentopname) verwijzingen naar talenD blog. Dit blog. En het is niet geheel ondenkbaar dat als de ijverige lezer over 2 dagen weer kijkt naar de resultaten in Google ook deze blogpost ziet verschijnen, dan wordt de Index 19. Mogelijk verschijnen zelfs de Twitter tweets van Meneer D bij de resultaten. Geen enkele pagina op het ganse internet – in de jaren negentig hadden we nog Internet, ja ja het is Nineties Request Week op 3FM – gebruikt zo vaak het woord circumjacentiën als deze. Als Meneer D nog veel langer zo doorgaat, zal circumjacentiën niet lang meer een ongebruikelijkt woord zijn.

Ongebruikelijkte woorden: circumjacentiën

Sommige woorden zijn ongebruikelijk, in onbruik geraakt, onbekend. Daarom zijn die woorden niet minder mooi.

Vandaag: circumjacentiën. De omgeving, de omliggende plaatsen. Of letterlijk: omliggend. Van Latijn circum– dat voor om of rond, vergelijk circa. En Latijn jacere dat liggen betekent. Die laatste kennen de meesten wel van nabijliggend in het Engels, ofwel adjacent.

Op die verjaardag morgen kun je dus even leuk circumjacentiën terloops gebruiken: “Ja, de rookwolk boven dat Noorse cruiseschip scheen in Aalesund en alle circumjacentiën te zien te zijn.” Wat weer grappig is, want Aalesund ligt op drie eilandjes. Het is het enige plaatsje op die drie eilandjes. Dus van omliggende plaatsen is niet echt sprake…