Nieuw: Meneer D’s Woordassociatiespel

Wat? Een nieuw woordspel? Na Wordfeud, WordOn en Rumble?

Zeker wel! En het is nog gratis ook. Niet te downloaden, want je speelt het niet op je telefoon. Gewoon. Op papier. Met anderen.

Het heeft even geduurd eer Meneer D alles had uitgewerkt… Een bordspel, nee woordspel uit 2009. Het wordt al her en der in het land gespeeld. Zelfs vandaag nog (op de Dag van de Hoogbegaafdheid naar het schijnt). Nu verkrijgbaar via dit blog!

Meneer D's Woordassociatiespel - logo

Met dit spel kun je helemaal los met al je homoniemen, anagrammenantoniemen, grafoniemen en bommelwoorden, wat voor een hoop taalhumor kan zorgen!

Meneer D kan heel erg uit gaan wijden, maar lees gewoon de pagina’s die Meneer D erover geschreven heeft: Meneer D’s Woordassociatiespel. Allemaal spelen!

En alle feedback is welkom 🙂

De legitimering van ‘de meisje’ als containerbegrip

‘De meisje’. De laatste maanden is al genoeg gezegd over dat het lidwoord ‘het’ dreigt te verdwijnen. De meisje zal gangbaarder worden. Een grote dolk in menig taalgevoelig hart, zoals dat van Meneer D en wellicht ook in jouw taalgevoelige hart. Het meisje is zoveel leuker, frisser. Puurder. Taalpuristischer. Hoewel.

Vandaag kwam Meneer D tot inzicht. De meisje is te legitimeren. De meisje is zelfs vrouwvriendelijker. Op nrcnext.nl stond donderdag een column van Paulien Cornelisse: Verse sap. Geen vers sap, geen het verse sap. Nee, verse sap. Paulien vindt verse sap inmiddels helemaal niet meer zo krom klinken. Ze kan bijna niet wachten tot verse sap de standaard gaat worden, laat vers sap taalharteloos vallen. Oké, Meneer D heeft ook liever verse sap dan sap uit pak.Wat ons bij het volgende punt brengt.

Op Twitter ontspon zich uiteraard een hele discussie of verse sap wel of niet correct is. Sap is een het-woord. Het sap. Dus vers sap. In sommige gevallen kan de sap ook. Analoog aan ‘mag ik de zout’, kun je ook zeggen: ‘mag ik de sap’. Onze Taal geeft taaladvies in De / Het appelsap:

Het is allebei mogelijk. ‘Mag ik de appelsap?’ suggereert dat er ergens een pak, fles of kan appelsap staat, en dat de spreker die ‘verpakking met inhoud’ graag wil hebben. In ‘Mag ik het appelsap?’ gaat het om het sap zelf, de ‘stofnaam’.

De appelsap. De sap. Het kan. Als het een verpakking met inhoud betreft. Een containerbegrip; het object zit in een verpakking, container, zoals een fles, pak, doos. Of je dan zonder bepaald of onbepaald lidwoord kunt spreken van verse sap, ook al zie je het als een verpakking met inhoud, tja. Dat is een andere discussie.

Dan nu het meisje. Meisje, verkleinwoord van meid. Verkleinwoord, altijd een het-woord. De meisje kan niet, voelt niet goed, druist tegen alle taalgevoelens in. Klinkt vreemd. Maar als we bovenstaand sapvoorbeeld toepassen, dan kan het wel. De meisje wordt van oudsher voornamelijk gebruikt door van oorsprong allochtone Nederlanders (gauw nog even het woord allochtoon gebruiken, voordat het niet meer mag). Inmiddels wordt de meisje ook door autochtone jongeren in bepaalde subculturen of straattaal gebruikt. En is dat wenselijk?

Hoe passen we het sapvoorbeeld toe op de meisje? Je moet het (verouderde?) beeld van allochtone hangjongeren op een straathoek even voor je zien. Ze roepen een passerend meisje toe: “Hé! Pssst! Meisje!” Wat doen ze daar? Objectificatie van het meisje. Het meisje wordt een object, dan wel lustobject. Het gaat om het uiterlijk, haar verpakking. Hoe verwerpelijk je het toeroepgedrag ook mag vinden, daar zit wel de bron van de meisje.

Meneer D noemde al het containerbegrip. Als je van het meisje een containerbegrip maakt, dan kun je haar de meisje noemen. En daar zit hem de crux, de omslag. Het object, het meisje, in een verpakking. Je spreekt dus niet meer van het meisje als doos. Het meisje kan een doos zijn. De meisje niet. Nee, doos is alleen de verpakking. De container voor het meisje. Het meisje, het object, zit in de container. De meisje als containerbegrip, door Onze Taal gedefinieerd als verpakking met inhoud.

En dan zijn we er. Het moment dat allochtone (en na afschaffing van allochtoon dus gewone) Nederlanders een meisje de meisje noemen, vervalt de objectificatie van vrouwen. De meisje is zoveel poëtischer. Het gaat niet meer om alleen het uiterlijk, de verpakking. Het gaat om de verpakking met inhoud. Het innerlijk. Het meisje wat in die verpakking zit. Wie zij echt is.

Is dat niet een mooie legitimering van de meisje? Meisjes en vrouwen niet meer beschouwen, aanroepen en erover rappen als (lust)object, maar – met een containerbegrip – als compleet mens, innerlijk en uiterlijk.

Waren er maar meer mensen die het over de meisje hebben!

Meer opinies en taaltrends? Lees dan ook:
WTF? De gamification van onze taal?,
De Balans. Reactie op ‘Face rijmt op reet. En wat doet de regering?’

WTF? De gamification van onze taal?

Taalschrift (Nederlandse Taalunie) publiceerde vandaag een artikel: WTF doen ‘LOL’ en ‘epic’ in onze taal? In dit artikel wordt beweerd dat vanuit de online games woorden als LOL, WTF, epic en l33t (elite) binnen het taaldomein van de jongeren en eventueel een breder publiek terechtkomen. Deze ontwikkeling noemen ze ‘gamification‘. Citaat:

Van Dale blijft er voorlopig immuun voor, maar gametaal rukt wel op. Op sociale netwerksites en in gesprekken zijn de LOL’s, epic’s en WTF’s niet van de lucht. Slaat de gamification straks ook toe in ons dagelijks taalgebruik?

Woorden – eigenlijk acroniemen – als LOL, ROLMAO gametaal noemen, is net zoiets als Jezus een filmkarakter bedacht door Mel Gibson (The Passion of the Christ) noemen, omdat je nog nooit van de Bijbel hebt gehoord.

De online game community is niet de bron van deze termen. De online game community is niet meer dan een volger. De termen bestonden voordat er online games waren. Voor veel jongeren zullen online games inderdaad de eerste confrontaties met ‘gametaal’ zijn. Die jongeren zullen als zij nieuwe woorden ‘ontdekken’ die hun vrienden en familie niet kennen zich heel l33t (elite) voelen.

Wat is wel de bron van deze termen? De bronnen van de meeste van deze termen zijn de jaren 80 en 90, toen er nog geen online games waren. Sommige termen zijn zelfs al ouder, zoals  TTFN (ta ta for now, informeel gedag zeggen) uit de jaren 40. De gametaal komt uit de oude computerwereld. De UNIX-nerds, in een tijdperk voordat Linux bestond. De allereerste stappen op het internet, voordat http of www bestonden of net bedacht waren. Toen men nog met pure tekstbrowser lynx het internet op ging. Eigenlijk nog eerder, voordat er echt internet was en men via BBS (Bulitin Board Systems) fora en chats had.

L33t (leet, elite) komt voort uit leet-speak. Een soort geheimtaal dat sinds de jaren 80 op BBS, fora en in chat wordt gebruikt door geeks en hackers (haX0rs). Tegenwoordig vooral populair bij script kiddies (nep-hackers). Het enige wat in de jaren 80 op online gamen leek, waren enkele MUD’s (Multi User Dungeons), wat volledig tekstgebaseerde rollenspellen waren, vergelijkbaar met Dungeons & Dragons. Leet-speak is ook de bron voor termen als noob (n00b, Newbie; beginneling, onwetende), suxxor, warez, pwn of powned (de naam van de omroep is niet toevallig) en pr0n.

Voor de afkortingen LOL, LMAO en wat dies meer zij, moeten we ook naar de jaren 80 en 90 kijken. Naast BBS had je Usenet, wat op zowel BBS als hedendaagse internetfora lijkt. En IRC (Internet Relay Chat), een internet protocol dat chatten mogelijk maakt(e) sinds 1988. Ja, er waren dagen dat chatten nog niet bestond. Naast LOL waren op IRC ook afkortingen als ASL (Age? Sex? Location?), brb (be right back), cu (see you), w8 (wait) gangbaar. Een deel daarvan rekenen we nu tot de sms-taal. De bronnen zijn oude IRC-chattaal, Usenet en BBS.

Meneer D weet niet hoelang epic al in zwang is als krachtterm. In elk geval van ver voor World Of Warcraft bestond. Epic valt onder gewone internet slang. Tegenwoordig is veel internet slang bijna synoniem met jongerentaal. Ook hier: vreemd om het ‘gametaal’ te noemen.

Alles wat auteur Wim de Jonge onder gamification van de taal schaart in zijn artikel, is geen gametaal. Gametaal getuigt niet van historisch besef. Het beste kun je het nog internet slang noemen. Of gewoon jongerentaal.

LOL en ROFL gametaal noemen is een epic fail! Jezus noem je ook geen filmkarakter.

De Balans. Reactie op ‘Face rijmt op reet. En wat doet de regering?’

Een reactie van Meneer D op het artikel ‘Face rijmt op reet. En wat doet de regering?‘ van taalkundige Marc van Oostendorp. In het artikel beschrijft de heer Van Oostendorp de consternatie over kromrijm. Van tegenwoordig. En van vroeger in de gedichten van Martinus Nijhoff. Rijmlijm van Hugo Brandt Corstius versus lijmrijm van Kees van Kooten.

Zowel Brandt Corstius als Van Kooten hebben gelijk en ongelijk.

Standaard en compleet eindrijm is gangbaar, is voor sommigen het ideaal, maar er zijn meer soorten rijm. Beginrijm, binnenrijm, rijmen op klankverwantschap zoals g en k. Of m en n. Een goede of creatieve dichter past het hele repertoire toe. Spelen met verwante klanken en alle soorten rijm is hoe een dichter taalvirtuositeit tentoon kan spreiden. Wat is goed rijm? Meneer D rijmde apocalyptisch op haar striptease (zie Samen Waren). De laatste twee lettergrepen zijn perfect rijm qua klank, maar qua woordbeeld niet. Stoort Van Kooten zich daar dan aan? Wat maakt dat krom rijm stoort?

Meneer D denkt dat de balans doorslaggevend is. Meneer D was bij de uitreiking van de Martinus Nijhoff Prijs 2012. Ja, de Prijs genoemd naar dezelfde dichter en vertaler Martinus Nijhoff waar Van Kooten over struikelt. Om Frans Denissen, bij zijn speech na ontvangst van de Prijs 2012 voor zijn vertalingen, aan te halen: je kunt niet elke woordspeling één op één vertalen. Sommige vondsten zijn onvertaalbaar en gaan verloren bij de vertaling. Daardoor ontstaat een onbalans. De brontekst is rijker dan de vertaalde tekst. Om dat te compenseren houdt de vertaler een balans bij en voegt en woordspeling of taalvondst toe waar de brontekst die niet had, ergens in de buurt van een onvertaalbare stuk in de brontekst.

Die balans kun je bij poëzie ook laten gelden. Als iemand alleen mislukt sinterklaasrijm schrijft met niet perfecte eindrijm, dan is daar, conform Van Kooten, veel op af te geven. Terecht. Of tenenkrommend voor een taalestheticus. Maar Meneer D is allang blij als men póogt te spelen met taal en woorden. Enfin. Als de dichter echter niet-perfect eindrijm compenseert met andere poëtische vondsten in dezelfde strofe, dan kan het een verrijking zijn en een mooi gedicht. Met rijmwoorden die anders nooit hadden bestaan of waren gevonden.

Even het voorbeeld van Marc van Oostendorp die Van Kooten aanhaalt aanhalen (Meneer D doet het er om). Uit het gedicht Impasse van Martinus Nijhoff:

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Van Kooten valt over aan laten rijmen op raam. Hij mist de rest van de poëtische waarde van de zinnen. Als Nijhoff het volgende had geschreven:

Een kerel vang te fluiten aan
En tuurt even door het raam.

Dan, dan had Van Kooten gelijk. Dat is gewoon krom sinterklaaseindrijm. Maar Nijhoff stopt zijn strofe zo vol alliteraties (h), herhalingen van de ‘l’, binnenrijm (ui en o in wolk-opwaarts, met terugkering van de w), verplaatsing van (verwante) klanken (fluiten-tuimel). Om nog maar van ritme, flow en metrum te spreken. Sterker nog, er zitten zoveel poëtische vondsten in Nijhoffs tekst dat als je raam door scherm vervangt – en er dus helemaal geen eindrijm is – de tekst nauwelijks aan poëtische waarde inboet:

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelscherm.

Brandt Corstius focust zich exclusief op het rijm. De klanken. Verzamelt ze. Rijm om het rijm, niet om de inhoud (zie Sinterklaasgedicht: Hooggespannen voor een verhandeling over inhoud versus vorm). Daar kan Meneer D zich in vinden. En Van Kooten? Wat hedendaags kromrijm afkraken, geregeld terecht. Wat is hier het meest verbazingwekkende? Het moment dat Van Kooten Nijhoff gaat aanpakken op zijn eindrijm. Hiermee geeft Van Kooten blijk dat hij geen snars van poëtisch taalgebruik snapt. En dat voor een van Neerlands grootste Taalmannen. Of hij is gewoon rigide koppig en puristisch wat eindrijm betreft. Linksom of rechtsom: de balans is zoek.

Link: De fijne nalatenschap van tweedetaalleerders

Taaljournalist Gaston Dorren schreef een interessante blog: De fijne nalatenschap van tweedetaalleerders. Goed startpunt voor een discussie! Meneer D citeert de in- dan wel aanleiding:

“Waarom zijn Baskisch en Georgisch zo moeilijk en Engels, Spaans en Perzisch zo makkelijk? Taalkundige John McWhorter, auteur van What language is, is er gauw mee klaar, of althans zo gauw als deze breedsprakige schrijver kan: het komt door de tweedetaalleerders.”

Uiteraard heeft Meneer D gereageerd, want hij is het niet geheel met de heer Dorren eens. Wel deels. Het mooie van niet-eens zijn: je hoeft er geen taalwetenschapper voor te zijn.

Lees het artikel en discussieer mee!