Meneer D Ontleed – poëzie: Huis in Kells

Meneer D ontleed: het gedicht Huis in Kells van René van Loenen.

Stukjes van Meneer D worden ontleed in Meneer D Ontleed. Niet alles wat Meneer D schrijft zal voor iedereen direct in al haar facetten begrijpelijk zijn. Dubbele bodems, (wetenschappelijke) verwijzingen, totaal onnavolgbare gedachtegangen van Meneer D, bizarre neologismen, obscure woorden. Meneer D kan niet verwachten dat de lezer, jij, de tijd en moeite neemt om alles te analyseren en research te doen. Of dezelfde gekke gedachtekronkels heeft. Dus ontleedt Meneer D het voor je.

Normaliter ontleedt Meneer D in deze rubriek zijn eigen (cryptische) schrijfsels. Dit keer een uitzondering. Een gedicht van René van Loenen. Omdat er zulk mooi taaltoeval in het gedicht staat.

Huis in Kells

De schoorsteen staat in bloei. Vensters ogen
als gaten. Dronken gaat de wind in en uit.

Een braamstruik slingert zich het trapgat
door en in de keuken waar de schapen poepen
groeit vluchtig een berk.

er moet nog iemand zijn. Niet hier maar ergens
sluimeren herinneringen: er is een tijd geweest

dat rook de schoorsteen met verhalen vulde,
de nacht niet verder dan de vensters kwam.

René van Loenen, uit: Mooi Voetenwerkuitgeverij Mozaïek, 2005

Een prachtig beeld wordt in dit gedicht geschetst. Je kunt het bijna proeven, je loopt door het huis. Edoch, Meneer D wil niet het hele gedicht gaan analyseren, alleen de eerste twee regels.

Kells is een Ierse plaats. Bekend van The Book of Kells dat 4 evangelies uit het Nieuwe Testament bevat: “Het Book of Kells werd rond het jaar 800 geschreven door Keltische monniken en geldt als een meesterwerk van de westerse kalligrafie in insulaire stijl.” Een plaats met grote historie dus. En daar staat dit huis. Vervallen huis.

En wat schrijft Van Loenen in zijn eerste twee zinnen?

De schoorsteen staat in bloei. Vensters ogen
als gaten. Dronken gaat de wind in en uit.

Een mooi beeld. Meneer D zou ‘het’ met al zijn taalgegoochel en vijftien lagen bewust ingestopt hebben. Meneer Van Loenen misschien ook, misschien is het slechts toeval. Prachtig toeval.

In Kells in Ierland spreekt men (tegenwoordig) Engels. Het Engelse woord voor raam is window.

Etymologisch is window letterlijk wind-oog. Het woord window komt van het Oud-Noords vindauga, van vindr (wind) + auga (oog). Oud-Noords wordt ook wel Viking-Noords genoemd en werd gesproken door de Vikingen die zo rond 875-950 Engeland binnenvielen. Het woord window verving het Oud-Engelse eagþyrl, letterlijk oog-gat en eagduru, letterlijk oog-deur. Het overdrachtelijke van oog is op zich al poëtisch.

Een raam was oorspronkelijk gewoon een gat in de muur waar de wind in en uit ging. Vandaar oorspronkelijk ook wind-gat. Venster is in de meeste Germaanse talen gebruikt voor een raam met glas (zie de etymologie). Behalve in het Engels.

In het gedicht staan windvensters en ogen optisch vlak bij elkaar. De ogen als gaten waar de wind in en uit gaat geeft nog meer (onbedoelde) historische lading aan een toch al historische setting. Zoals vroeger ramen waren, zelfs voordat er glas was. En nu weer zo is. Het Engelse window, etymologisch verwoven in het gedicht.

Taaltoeval? Meneer D vindt het prachtig; poëtisch mooi hoe de woorden, betekenis, historie en etymologie hier samenvallen.

Meneer D Ontleed: het gedicht Fnuikend

Meneer D ontleed: het gedicht Fnuikend.

Stukjes van Meneer D worden ontleed in Meneer D Ontleed. Niet alles wat Meneer D schrijft zal voor iedereen direct in al haar facetten begrijpelijk zijn. Dubbele bodems, (wetenschappelijke) verwijzingen, totaal onnavolgbare gedachtegangen van Meneer D, bizarre neologismen, obscure woorden. Meneer D kan niet verwachten dat de lezer, jij, de tijd en moeite neemt om alles te analyseren en research te doen. Of dezelfde gekke gedachtekronkels heeft. Dus ontleedt Meneer D het voor je.
Let wel: spoiler alert!

Eerder publiceerde Meneer D het gedicht Fnuikend. Meneer D deed het er om. Gebruikte zeer ongebruikelijke woordenboekwoorden en ging ermee goochelen. Meneer D doet dat. Gewoon, omdat het kan. Omdat Meneer D dat leuk vindt of de gewaardeerde lezer het daar nu mee eens is of niet. En om te zorgen dat het nageslacht ook nog snapt wat er in dat gedicht staat, in dit stuk wat uitleg. De lol dat sommige ogenschijnlijk neologische, stante pede bedachte woorden gewoon bestaan. In het woordenboek staan. Daarom. Wat bekendheid geven aan ouderwetsche woorden, opdat je die weer gaat gebruiken (zie ook de Ongebruikelijkte Woorden reeks).

Hieronder het gedicht.

Fnuikend
1. Fnuikend, een pracht vernietigend woord
2. Hoe dan construeer ik toch’n gedicht
3. Zonder noodlotfrats te tarten
4. Die èf-èn if gewoon festoord!

5. Fnuikend; kriebelt aan mijn neus
6. Voor fatale taal alsof’k moet fniezen
7. Ga mentaal te gronde aan de ftisis
8. Toch ervaar ik dit ja onaffreus

9.  Fnuikend, zalige ramp, een pejoratief
10. Het zegt weer factisch alles,
11. Ik kan er nunc èf-niets mee
12. Dit blijft ’n cata-strofe, kansloos fnuikeratief!

Voor de handigheid kun je ook met de muis op onderstippelde woorden staan voor de uitleg van een aantal woorden. Zin voor zin zal Meneer D het gedicht ontleden. Vooral op individuele woorden. Afhankelijk van hoe graag je in woordenboeken bladert of literair ontwikkeld bent, zul je weinig of veel nieuws lezen hieronder. In elk geval worden de keuzes van Meneer D duidelijk. Weinig toevalligheden qua gekke woorden in dit gedicht.

Zin 1. Fnuikend betekent vernietigend, noodlottig, fataal, catastrofaal, rampzalig. Deze betekenissen komen in het gedicht terug. Pracht vernietigend kun je dubbel opvatten. Fnuikend is een prachtig woord. Of een woord dat prachtvernietigend betekent. Vernietigend slaat uiteraard ook op fnuikend.

Zin 3. Noodlotfrats is een neologisme. Met noodlot wordt naar de betekenis van fnuikend verwezen. Fratsen is een woord dat met f-en-medeklinker begint, zoals vele in dit gedicht. Het gedicht bestaat natuurlijk uit louter fratsen. Hier wordt een noodlotfrats getart. De gewone uitdrukking is het lot tarten. Het noodlot wordt hier als frats bestempeld, dus het noodlot wordt niet helemaal serieus genomen. Wat weer fnuikend is, uiteraard.

Zin 4. Èf-èn verwijst fonetisch naar de fn in fnuikend. Fn of f-en-medeklinker aan het begin van een woord is de rode draad in dit gedicht. If betekent is, slissende verbastering. Omdat Meneer D dat leuk vond, meer f’en, zodat het lijkt of de dichter slist. Festoord zit qua betekenis tussen gestoord en verstoord in. Festoord is een neologisme van Meneer D.

Zin 6. Fniezen betekent niezen, een bestaand, maar verouderd woord. Fniezen omdat in zin 5 de fatale taal aan de neus kriebelt. Fatale taal, weer een f, die een verticale spiegeling is van de t uit taal – leuk voor het woordbeeld – en omdat het natuurlijk rijmt. Fatale taal klinkt bijna als een mantra.

Zin 7. Ftisis betekent tering, etymologisch gezien te gronde gaan, wat weer bij fnuikend aansluit. En weer een mooi f-gevolgd-door-medeklinker-woord.

Zin 8.  Ja is een modaal partikel. Een versterkend tussenwerpsel, betekent zoveel als toch, immers. Ja als modaal partikel komt voor in het Gronings en Nedersaksisch (o.a. Twents). En het Duits natuurlijk. Affreus betekent afschuwelijk, het heeft eenzelfde soort negatieve connotatie als fnuikend. Weer die f’en natuurlijk. Onaffreus betekent dus niet afschuwelijk.

Zin 9. Zalige ramp verwijst naar een van de betekenissen van fnuikend: rampzalig. Een pejoratief is een woord met een negatieve connotatie, zoals fnuikend, eikelwijf, ftisis.

Zin 10. Factisch betekent feitelijk. Een duur woord, vergelijkbaar met het Engelse fact. En begint weer met een f.

Zin 11. Nunc is Latijn voor nu (uitspraak: noenk). Met de c die weer spiegelt in factisch en het klank- dan wel woordbeeld dat bij fnuikend aansluit. Èf-niets is dichterlijke vrijheid voor even niets. Om de f maar weer te benadrukken.

Zin 12. Cata-strofe legt de nadruk op de strofe van het gedicht. Daarnaast is catastrofe een van de betekenissen van fnuikend. Fnuikeratief is een samentrekking van fnuikend en verneukeratief. Een neologisme van Meneer D.

Nu alle elementen en woorden uit het gedicht Fnuikend zijn ‘vertaald’, is het gedicht mogelijk (beter) leesbaar. Let wel: Meneer D geeft alleen de handreiking voor losse elementen. De interpretatie, betekenis in zins- en strofecontext laat Meneer D aan de lezer. Aan jou. Dan kun je het als één geheel lezen. Mocht je daar nog fut (ja, geen toevallige keuze met die f en u) voor hebben. Of het een goed gedicht is? Dat laat ik ook aan jou over. Of het geforceerd met weerom een f is? Ja, dat is het. Het is hier vorm boven inhoud. Het gaat om de woorden en het gegoochel, niet om de Weltschmerz met metaforen uit de klassieke oudheid te beschrijven.

En die Meneer D, denkt hij echt bij alles zo diep na om zo’n gekunsteld gedicht te maken? Neen. Uiteraard niet. Sommige dingen zijn opgezocht – bladeren in het Etymologisch Woordenboek doet soms wonderen – edoch de meeste woorden vindt Meneer D al doende. Het zoeken naar verwante klanken, binnenrijm, alliteraties, spiegelingen, woordgegoochel dat gebeurt automatisch. Meneer D ziet alle verbanden, zoals die ene meneer in Rainman geen lucifers hoeft te tellen. Ja, dat vindt Meneer D soms ook vermoeiend. Maar ja, het alter ego Meneer D is een self-proclaimed taalgoochelaar, dus hij moet wel.

F(i)n!

Meneer D ontleed: Six Word Story XVI

Meneer D ontleed: Six Word Story – XVI

Stukjes van Meneer D worden ontleed in Meneer D Ontleed. Niet alles wat Meneer D schrijft zal voor iedereen direct in al haar facetten begrijpelijk zijn. Dubbele bodems, (wetenschappelijke) verwijzingen, totaal onnavolgbare gedachtegangen van Meneer D, bizarre neologismen, obscure woorden. Meneer D kan niet verwachten dat de lezer, jij, de tijd en moeite neemt om alles te analyseren en research te doen. Of dezelfde gekke gedachtekronkels heeft. Dus ontleedt Meneer D het voor je.
Let wel: spoiler alert!

Meneer D begint met een korte: Six Word Story – XVI:

Puyi vond lotusvoetjes altijd al tenenkrommend

In China werden lotusvoetjes in 1911, na de omverwerping van het keizerrijk en de uitroeping van de republiek, buiten de wet gesteld. Voor die tijd werden de voeten van rijke Chinese meisjes ingebonden, wat een schoonheidsideaal was. En extreem pijnlijk. Bij lotusvoetjes werden alle tenen behalve de grote teen naar achteren gebonden. Tenenkrommend kan dus ook letterlijk worden opgevat.

De crux van de Six Word Story zit hem in Puyi. Aisin-Gioro ‘Henry’ Puyi (7 februari 1906 – 17 oktober 1967) was onder de naam Xuantong de laatste keizer van de Qing-dynastie en tevens de laatste keizer van China. In 1911 brak de revolutie uit en in 1912 deed Puyi afstand van de troon. Lotusvoetjes kun je als een symbool voor het oude China zien, het keizerrijk. De Six Word Story krijgt een dubbele lading als de laatste keizer lotusvoetjes altijd al tenenkrommend vond; het keizerrijk en zijn symbolen liepen tijdens Puyi’s heerschappij al ten einde. Puyi besefte langzaamaan, hijzelf als een van de laatsten, dat zijn keizerlijke hofhouding en lotusvoetjes bijna archaïsch waren. Menselijk drama op meer manieren in zes woorden.